Duitse woordjes hoofdstuk 4
4.2.1
zahlen betalen
die Rechnung/ die Quittung de rekening
der Betrag het bedrag
(in) bar zahlen contant betalen
die Kriditkarte de creditcard
Geld abheben geld opnemen
der Geldautomat/ der Bankomat de geldautomaat
das Konto de bank- of girorekening
Geld überweisen geld overmaken
die EC-Karte (mit PIN-Kode/ mit Geheimzahl)/ de betaalpas/ pinpas
die Bankomatkarte
Geld wechseln geld wisselen
die ausländishce Währung de buitenlandse valuta
die Bearbeitungsgebühr de administratiekosten
die Mehrwertsteuer de btw
die Kurtaxe/ die Ortstaxe de toeristenbelasting
das Trinkgeld de fooi
eine Anzahlung machen/ etwas anzahlen een aanbetaling doen
eine Ermäβigung gewähren/ einen Preisnachlass korting verlenen
geben
die Kinderermäβigung de kinderkorting
die Gruppenermäβigung/ der Gruppenrabatt de groepskorting
die Senioren de 65-plussers
die Haupsaison het hoogseizoen
die Nebensaison/ der Vor- Nachsaison het laagseizoen/ het voor-/naseizoen
4.2.1
zahlen betalen
die Rechnung/ die Quittung de rekening
der Betrag het bedrag
(in) bar zahlen contant betalen
die Kriditkarte de creditcard
Geld abheben geld opnemen
der Geldautomat/ der Bankomat de geldautomaat
das Konto de bank- of girorekening
Geld überweisen geld overmaken
die EC-Karte (mit PIN-Kode/ mit Geheimzahl)/ de betaalpas/ pinpas
die Bankomatkarte
Geld wechseln geld wisselen
die ausländishce Währung de buitenlandse valuta
die Bearbeitungsgebühr de administratiekosten
die Mehrwertsteuer de btw
die Kurtaxe/ die Ortstaxe de toeristenbelasting
das Trinkgeld de fooi
eine Anzahlung machen/ etwas anzahlen een aanbetaling doen
eine Ermäβigung gewähren/ einen Preisnachlass korting verlenen
geben
die Kinderermäβigung de kinderkorting
die Gruppenermäβigung/ der Gruppenrabatt de groepskorting
die Senioren de 65-plussers
die Haupsaison het hoogseizoen
die Nebensaison/ der Vor- Nachsaison het laagseizoen/ het voor-/naseizoen