15.1 De intellectuele ontwikkeling
Adolescenten kunnen verder denken dan de concrete, huidige situatie en kunnen
bedenken wat er zou kunnen gebeuren of hoe iets zou kunnen zijn, kinderen
kunnen dat niet. Adolescenten kunnen abstract denken, kunnen echt/nep en
fantasie uit elkaar houden. Bedenken oplossingen niet alleen in zwart-wit, maar
ook in grijstinten.
Cognitieve ontwikkeling van Piaget:
Formeel-operationeel stadium (12 jaar tot volwassenheid) = het stadium
waarin mensen het
vermogen ontwikkelen om abstract te denken en niet alleen abstract naar
problemen kijken. Het
formele operationeel denken verschilt qua interesse/beroep en
cultuurinvloeden/samenleving.
- Systematisch aan het werk gaan (eerst denken en dan doen)
- Inzichten te toetsen en gevolgen ontdekken.
- Hypothetisch-deductief redeneren = algemene theorie over datgene
wat een resultaat oplevert, vervolgens leiden ze daarvan verklaringen af
voor specifieke situaties waarin ze dat specifieke resultaat zien gebeuren
(voorspelling) (tactieken bedenken bij een potje basketbal/codewoorden
snappen bij spellen/extra positie innemen voor veiligheid bij acrobatiek)
- Propositioneel denken = het gebruik van abstracte logica (bijv. paraplu
mee als het gaat regenen of alvast binnenschoenen meenemen als het
regent want de leraar gaat waarschijnlijk naar binnen gymmen i.p.v.
buiten)
Niet iedereen denkt formeel-operationeel omdat er vele mensen zijn die cognitief
gewoon lui zijn.
Consequenties van het gebruik van formeel operationeel denken: voorheen
namen adolescenten regels en verklaringen klakkeloos over. Nu ontwikkelen ze
eigen ideeën, waardoor ze meer tegenstand zullen aanbieden. Adolescenten
gaan graag in discussie om het denken verder te ontwikkelen.
Informatieverwerkingstheorie
Informatieverwerkingstheorie = theorie die verklaringen probeert te geven
voor de manier waarop
mensen informatie opnemen, gebruiken en opslaan (mentale groei is een
geleidelijk en permanent proces). Volgens deze theorie zijn nieuwe cognitieve
ontwikkelingen het resultaat van geleidelijke veranderingen in de manier waarop
mensen hun denken over de wereld ordenen, strategieën ontwikkelen om met
nieuwe situaties om te kunnen gaan, feiten rangschikken en verbeteringen in
geheugencapaciteit en perceptuele vermogens realiseren.
- Er treden verbeteringen op in de specifieke mentale vermogens die ten
grondslag liggen aan de intelligentie. De verbale, mathematische en
ruimtelijke vaardigheden groeien.
- De geheugencapaciteit neemt toe en ze kunnen hun aandacht beter gaan
verdelen (leren voor een toets met muziek op).
- Ze gaan problemen en abstracte begrippen steeds beter begrijpen, ze
kunnen steeds beter hypothetisch denken en krijgen ze meer zicht op de
mogelijkheden die bepaalde situaties met zich meebrengen.
- Wereld kennis neemt toe en mentale vermogens worden verbeterd,
piekpunt 20 jaar.