Hoofdstuk 1 – Inleiding
Er zijn verschillende gedragsstoornissen: ADHD, ADD (zonder hyperactiviteit,
ODD (oppositioneel opstandig gedrag), agressief gedrag (antisociale
gedragsstoornis), PDD-NOS (een aan autisme verwant contactstoornis), angsten
en stemmingsstoornissen, hechtingsstoornissen, faalangst, posttraumatische
stressstoornis, borderline stoornis, non-verbale leerstoornis.
Comorbiditeit = het tegelijkertijd voorkomen van verschillende problematieken
Gedragsstoornissen staan in samenhang met leerproblemen en –stoornissen.
Leergestoorde kinderen hebben ook vaak gedrags- en emotionele problemen.
3 hypotheses over de aard van de relatie tussen leer- en gedragsproblemen:
Leerproblemen kunnen tot gedragsproblemen leiden door veelvuldige
faalervaringen en de sociaal-emotionele gevolgen daarvan
Gedragsproblemen kunnen hun weerslag hebben op de noodzakelijke
voorwaarden voor het schoolse leren en zo leerproblemen veroorzaken
Het genetisch en/of neuropsychologisch profiel van leerlingen bepaalt
zowel de vorderingen bij verwerving van de schoolse leerstof als hun
psychosociaal functioneren
Leergestoorde kinderen hebben over het algemeen een laag zelfgevoel.
Er zijn meer jongens met problematieken. Hiervoor zijn 3 redenen:
Grotere biologische, genetische kwetsbaarheid (komt door de grotere
hersenen)
Bij jongens wordt een grotere druk uitgeoefend om te presteren dan bij
meisjes
Jongens uiten hun ongenoegens vaak openlijker in hun gedrag dan meisjes
Gedragsstoornis = het probleem is niet te verhelpen en de persoon moet
ermee leren omgaan (belemmeringen zitten al in je lichaam en zijn in je aanleg
meegegeven)
Een gedragsstoornis heeft twee psychologische eigenschappen: weerstand tegen
verandering en een gebrekkig empathisch vermogen.
Temperament is een risicofactor het kan een voorbode zijn van
gedragsstoornissen.
Een gedragsstoornis heb je pas als er langere tijd dezelfde kenmerken
aanhouden en je de criteria vertoont, anders is het een gedragsprobleem.
gedragsstoornissen met geëxternaliseerde probleemgebieden (ADHD, ODD,
agressie)
emotionele stoornissen met geïnternaliseerde probleemgebieden
(angststoornis, depressie)
Gedragsprobleem = dit staat meer buiten de persoon en is reactief van aard
(belemmeringen zitten in de omgeving die de ontwikkeling minder soepel doet
verlopen)
Probeer niet alleen de negatieve kanten van een gedragsstoornis of –probleem te
benoemen maar ook de positieve kanten!
Voorafgaand aan de behandeling is er eerst onderzoek naar de gedragsstoornis
of –probleem.
Er zijn verschillende gedragsstoornissen: ADHD, ADD (zonder hyperactiviteit,
ODD (oppositioneel opstandig gedrag), agressief gedrag (antisociale
gedragsstoornis), PDD-NOS (een aan autisme verwant contactstoornis), angsten
en stemmingsstoornissen, hechtingsstoornissen, faalangst, posttraumatische
stressstoornis, borderline stoornis, non-verbale leerstoornis.
Comorbiditeit = het tegelijkertijd voorkomen van verschillende problematieken
Gedragsstoornissen staan in samenhang met leerproblemen en –stoornissen.
Leergestoorde kinderen hebben ook vaak gedrags- en emotionele problemen.
3 hypotheses over de aard van de relatie tussen leer- en gedragsproblemen:
Leerproblemen kunnen tot gedragsproblemen leiden door veelvuldige
faalervaringen en de sociaal-emotionele gevolgen daarvan
Gedragsproblemen kunnen hun weerslag hebben op de noodzakelijke
voorwaarden voor het schoolse leren en zo leerproblemen veroorzaken
Het genetisch en/of neuropsychologisch profiel van leerlingen bepaalt
zowel de vorderingen bij verwerving van de schoolse leerstof als hun
psychosociaal functioneren
Leergestoorde kinderen hebben over het algemeen een laag zelfgevoel.
Er zijn meer jongens met problematieken. Hiervoor zijn 3 redenen:
Grotere biologische, genetische kwetsbaarheid (komt door de grotere
hersenen)
Bij jongens wordt een grotere druk uitgeoefend om te presteren dan bij
meisjes
Jongens uiten hun ongenoegens vaak openlijker in hun gedrag dan meisjes
Gedragsstoornis = het probleem is niet te verhelpen en de persoon moet
ermee leren omgaan (belemmeringen zitten al in je lichaam en zijn in je aanleg
meegegeven)
Een gedragsstoornis heeft twee psychologische eigenschappen: weerstand tegen
verandering en een gebrekkig empathisch vermogen.
Temperament is een risicofactor het kan een voorbode zijn van
gedragsstoornissen.
Een gedragsstoornis heb je pas als er langere tijd dezelfde kenmerken
aanhouden en je de criteria vertoont, anders is het een gedragsprobleem.
gedragsstoornissen met geëxternaliseerde probleemgebieden (ADHD, ODD,
agressie)
emotionele stoornissen met geïnternaliseerde probleemgebieden
(angststoornis, depressie)
Gedragsprobleem = dit staat meer buiten de persoon en is reactief van aard
(belemmeringen zitten in de omgeving die de ontwikkeling minder soepel doet
verlopen)
Probeer niet alleen de negatieve kanten van een gedragsstoornis of –probleem te
benoemen maar ook de positieve kanten!
Voorafgaand aan de behandeling is er eerst onderzoek naar de gedragsstoornis
of –probleem.