Hoofdstuk 5 - Faalangst
Faalangst is een specifieke, taakgebonden vorm van angst. Het bestaat uit
cognitieve, fysieke en gedragsmatige reacties op een situatie waarin een
prestatie geleverd moet worden en men zich beoordeeld voelt. Het is een conflict
tussen voelen, denken en doen.
Als de spanning je irrationeel bang maakt voor mislukkingen en het je eerder
blokkeert dan motiveert, dan noemt men dat negatieve faalangst. Het gaat om
onderpresteren en situatie gebonden angst niet om angst in allerlei situaties.
Faalangst begint in het hoofd, net als andere angsten. Het zenuwknooppunt in de
hersenen zendt een signaal uit naar de bijnieren die de hormonen adrenaline en
noradrenaline aanmaken. Daardoor kan het lichaam met spanning omgaan, met
name om te vluchten, de natuurlijke reactie op angst. Bij faalangst wordt op de
verkeerde momenten adrenaline aangemaakt: in situatie waarin je natuurlijke
reactie om te vluchten niet mogelijk is. Je raakt dan geblokkeerd, wat zich kan
uiten in chaotisch en gehaast worden, dichtslaan, hyperventileren en/of
verminderde concentratie.
Faalangst is geen karaktertrek of persoonlijkheidskenmerk, maar het resultaat
van een aantal aangeleerde (denk)stappen.
3 soorten faalangst:
Cognitieve faalangst: voor schoolse taken, bijvoorbeeld proefwerken.
Sociale faalangst: faalangst voor sociale taken, bijvoorbeeld in
gezelschap iets moeten zeggen.
Motorische faalangst: motorische/competitieve taken, bijvoorbeeld
bij gym.
Kenmerken:
Cognitief gebied: allerlei belemmerende gedachten over zichzelf >
negatieve zelfbeoordeling, gebrek aan zelfacceptatie en zelfverwerping.
Lichamelijk gebied: zweten, rode kleur, veel naar het toilet,
maagklachten.
Gedragsmatig gebied: deze jongeren gaan chaotisch aan het werk,
ze studeren te detaillistisch, steken naar verhouding te veel tijd in een
opdracht.
Oorzaken
Negatieve schoolervaringen
Meer nadruk op wat het kind fout doet
Sfeer van competitie
Vergelijking met slimmere kinderen
Gebrek aan positieve verwachtingen in de omgeving
Waardering vrijwel uitsluitend gekoppeld aan goede prestaties
Zich niet geaccepteerd voelen bij mislukken
Weinig experimenteerruimte voor falen
Te hoge eisen van de omgeving
Negatieve reacties van leeftijdgenoten op falen
Overbescherming en verwaarlozing zijn bronnen voor het aanleren van
hulpeloosheid. Aangeleerde hulpeloosheid: de betrokkene neemt een
slachtofferhouding aan. Hij heeft namelijk onvoldoende ervaren dat er verband
bestaat tussen zijn acties en de resultaten daarvan.
Faalangst is een specifieke, taakgebonden vorm van angst. Het bestaat uit
cognitieve, fysieke en gedragsmatige reacties op een situatie waarin een
prestatie geleverd moet worden en men zich beoordeeld voelt. Het is een conflict
tussen voelen, denken en doen.
Als de spanning je irrationeel bang maakt voor mislukkingen en het je eerder
blokkeert dan motiveert, dan noemt men dat negatieve faalangst. Het gaat om
onderpresteren en situatie gebonden angst niet om angst in allerlei situaties.
Faalangst begint in het hoofd, net als andere angsten. Het zenuwknooppunt in de
hersenen zendt een signaal uit naar de bijnieren die de hormonen adrenaline en
noradrenaline aanmaken. Daardoor kan het lichaam met spanning omgaan, met
name om te vluchten, de natuurlijke reactie op angst. Bij faalangst wordt op de
verkeerde momenten adrenaline aangemaakt: in situatie waarin je natuurlijke
reactie om te vluchten niet mogelijk is. Je raakt dan geblokkeerd, wat zich kan
uiten in chaotisch en gehaast worden, dichtslaan, hyperventileren en/of
verminderde concentratie.
Faalangst is geen karaktertrek of persoonlijkheidskenmerk, maar het resultaat
van een aantal aangeleerde (denk)stappen.
3 soorten faalangst:
Cognitieve faalangst: voor schoolse taken, bijvoorbeeld proefwerken.
Sociale faalangst: faalangst voor sociale taken, bijvoorbeeld in
gezelschap iets moeten zeggen.
Motorische faalangst: motorische/competitieve taken, bijvoorbeeld
bij gym.
Kenmerken:
Cognitief gebied: allerlei belemmerende gedachten over zichzelf >
negatieve zelfbeoordeling, gebrek aan zelfacceptatie en zelfverwerping.
Lichamelijk gebied: zweten, rode kleur, veel naar het toilet,
maagklachten.
Gedragsmatig gebied: deze jongeren gaan chaotisch aan het werk,
ze studeren te detaillistisch, steken naar verhouding te veel tijd in een
opdracht.
Oorzaken
Negatieve schoolervaringen
Meer nadruk op wat het kind fout doet
Sfeer van competitie
Vergelijking met slimmere kinderen
Gebrek aan positieve verwachtingen in de omgeving
Waardering vrijwel uitsluitend gekoppeld aan goede prestaties
Zich niet geaccepteerd voelen bij mislukken
Weinig experimenteerruimte voor falen
Te hoge eisen van de omgeving
Negatieve reacties van leeftijdgenoten op falen
Overbescherming en verwaarlozing zijn bronnen voor het aanleren van
hulpeloosheid. Aangeleerde hulpeloosheid: de betrokkene neemt een
slachtofferhouding aan. Hij heeft namelijk onvoldoende ervaren dat er verband
bestaat tussen zijn acties en de resultaten daarvan.