PRAKTIJK BAS5
Chronische aandoeningen
Nina de Rooij
Hogeschool Leiden
Semester 1
,INHOUDSOPGAVE
1.05VT: testen ................................................................................................................................................................2
1.06VT: trainen ...............................................................................................................................................................7
1.07VT+: antropometrie ...............................................................................................................................................10
2.05VT, 2.06VT: communicatie (ambivalentie, zelf-effectiviteit)..................................................................................13
2.07VT+: intake van sbi bij artrose ..............................................................................................................................14
3.05VT: communicatie rol van de coach......................................................................................................................15
3.06VT: vaardigheden artrose trainingsleer, oefentherapie beweEginginterventie (SBI) artrose ...............................16
3.07VT+: beweegplan maken ......................................................................................................................................18
4.05VT: klinisch redeneren, pt profielen volgens SBI DM2 .........................................................................................20
4.06VT: Trainen bij DM2, krachttraining en duurtraining .............................................................................................23
4.07VT+: vroegsignaleren depressieve klachten dmv vragenlijsten ...........................................................................25
,1.05VT: TESTEN
Voorbereiding:
Op basis van de opgedane kennis uit WL 1.02, welke beperking verwacht je bij de SRT?
Als je met een patiënt gaat trainen, moet je een inschatting maken of het veilig is. Hoe zorg je ervoor dat je
met enige zekerheid kan inschatten of de patiënt jouw interventie veilig aan kan? (zie het hoofdstuk over
testen en meten in het boek inspanningsfysiologie, oefentherapie en training).
Par- Q afnemen
Hoe houd je tijdens de interventie in de gaten of de patiënt niet te zwaar belast wordt? (zoek je antwoord in
de beweeginterventie coronaire hartziekten)
Borg score
Hoe pas je de uitkomst van de 6MWT, de astrandtest en de SRT als trainingsvariabele?
VAARDIGHEDEN
parQ afnemen
Eén of meerdere vragen met ja:
Consulteer uw arts VOORDAT u begint met uw fysieke activiteiten of VOORDAT u een fitheidstest uitvoert.
Vertel uw arts over de PAR-Q en welke vragen u met JA heeft beantwoord.
U mag alle activiteiten uitvoeren die u wilt. Indien u op een laag niveau begint en de activiteiten
geleidelijk opvoert. Bespreek de activiteiten die u wilt uitvoeren met uw arts en volg zijn advies op.
Ga op zoek naar veilige bewegingsprogramma’s die op dit moment bij u in de buurt worden
gegeven (bijvoorbeeld Hart in Beweging).
Alle vragen met nee:
Kunt beginnen met actiever worden – begin rustig en bouw de activiteiten langzaam op. Dit is de
makkelijkste en veiligste manier.
Laat uw fitheid testen. Dit is een uitstekende manier om uw algehele fitheid in kaart te brengen.
Hierdoor kunt u ook het beste plannen welke activiteiten het best bij u passen.
Het is aanbevolen dat u uw bloeddruk laat meten. Indien uw bloeddruk boven 144/94 is, consulteer
dan uw arts voordat u actiever wordt. Wacht met actiever worden:
Indien u zich niet lekker voelt vanwege een tijdelijke ziekte zoals een verkoudheid of koorts. Wacht
tot u weer beter bent.
Indien u zwanger bent – consulteer dan uw arts voordat u actiever gaat worden
→ Niet de vragen anders verwoorden bij onduidelijkheden, maar nog een x herhalen
, Protocol 6 min wandeltest
6 min wandeltest= de afstand die iemand aflegt in 6 minuten
Doel: wordt gebruikt om het gangpatroon, de loopsnelheid en het uithoudingsvermogen van patiënten te
beoordelen
Nodig: pionnen, hartslag meter, stopwatch, meetlint
Proefpersoon:
Voorbereiding:
Eerst schatten hoeveel afstand iemand gaat lopen: Er zijn normwaarden voor de 6-minuten wandeltest
voor gezonde volwassenen tussen 40 en 90 jaar. (10 meter heen en weer lopen)
Voorspelde afstand (man) = 1266 − (7.80*age) − (5.92*BMI)
Voorspelde afstand (vrouw) = 1064 − (5.28*age) − (6.55*BMI)
Website: Fysiocalculator (Ron van Leeuwen)
Leg de 6 MWT uit
Doe de patiënte de borstband om
Noteer de rustpols
Geef instructie aan de patiënt; straks gaat de patiënt 6 minuten wandelen om een normaal tempo ik
geef na 3 minuten aan dat u op de helft zit.
De pt mag met een hulpmiddel lopen
De pt mag langzamer lopen of pauze nemen maar de timer blijft lopen, als hij niet meer verder kan
dan is dat de gelopen afstand in 6 minuten
Uitvoering:
Ik tel tot 3 en dan mag u beginnen
Loop schuin achter de patiënt zodat jij niet het tempo bepaalt
Na 3 minuten → er zijn 3 minuten verstreken u heeft nog 3 minuten te gaan
Na 5 minuten en 45 seconden → u heeft nog 15 seconden, wilt u direct stoppen als ik dat aangeef?
Direct na het stoppen HF meten en loopafstand noteren
Afronding:
Reken het verschil uit tussen de rustpols en inspanningspols
Noteer nog eventueel gebruikte hulpmiddelen, medicatie of orthesen
Aandachtspunten:
Formule: gegeven bij toets
Scoring:
De onderzoeker scoort op het testformulier op de hierboven aangegeven momenten de hartfrequentie (in
slagen per minuut) en de totaal gelopen afstand (in meters). Daarna rekent hij het verschil uit tussen de
inspanningspols en de rustpols en noteert de uitkomst bij BABI (beats above baseline index). Daarnaast
noteert hij de gebruikte orthesen en loophulpmiddelen en de door de patiënt gebruikte cardiale medicatie.
Normwaarde
Een score onder de 82% van wat werd voorspeld wordt gezien als afwijkend.
Betrouwbaarheid ICC 0.97
Validiteit: 0.59
Chronische aandoeningen
Nina de Rooij
Hogeschool Leiden
Semester 1
,INHOUDSOPGAVE
1.05VT: testen ................................................................................................................................................................2
1.06VT: trainen ...............................................................................................................................................................7
1.07VT+: antropometrie ...............................................................................................................................................10
2.05VT, 2.06VT: communicatie (ambivalentie, zelf-effectiviteit)..................................................................................13
2.07VT+: intake van sbi bij artrose ..............................................................................................................................14
3.05VT: communicatie rol van de coach......................................................................................................................15
3.06VT: vaardigheden artrose trainingsleer, oefentherapie beweEginginterventie (SBI) artrose ...............................16
3.07VT+: beweegplan maken ......................................................................................................................................18
4.05VT: klinisch redeneren, pt profielen volgens SBI DM2 .........................................................................................20
4.06VT: Trainen bij DM2, krachttraining en duurtraining .............................................................................................23
4.07VT+: vroegsignaleren depressieve klachten dmv vragenlijsten ...........................................................................25
,1.05VT: TESTEN
Voorbereiding:
Op basis van de opgedane kennis uit WL 1.02, welke beperking verwacht je bij de SRT?
Als je met een patiënt gaat trainen, moet je een inschatting maken of het veilig is. Hoe zorg je ervoor dat je
met enige zekerheid kan inschatten of de patiënt jouw interventie veilig aan kan? (zie het hoofdstuk over
testen en meten in het boek inspanningsfysiologie, oefentherapie en training).
Par- Q afnemen
Hoe houd je tijdens de interventie in de gaten of de patiënt niet te zwaar belast wordt? (zoek je antwoord in
de beweeginterventie coronaire hartziekten)
Borg score
Hoe pas je de uitkomst van de 6MWT, de astrandtest en de SRT als trainingsvariabele?
VAARDIGHEDEN
parQ afnemen
Eén of meerdere vragen met ja:
Consulteer uw arts VOORDAT u begint met uw fysieke activiteiten of VOORDAT u een fitheidstest uitvoert.
Vertel uw arts over de PAR-Q en welke vragen u met JA heeft beantwoord.
U mag alle activiteiten uitvoeren die u wilt. Indien u op een laag niveau begint en de activiteiten
geleidelijk opvoert. Bespreek de activiteiten die u wilt uitvoeren met uw arts en volg zijn advies op.
Ga op zoek naar veilige bewegingsprogramma’s die op dit moment bij u in de buurt worden
gegeven (bijvoorbeeld Hart in Beweging).
Alle vragen met nee:
Kunt beginnen met actiever worden – begin rustig en bouw de activiteiten langzaam op. Dit is de
makkelijkste en veiligste manier.
Laat uw fitheid testen. Dit is een uitstekende manier om uw algehele fitheid in kaart te brengen.
Hierdoor kunt u ook het beste plannen welke activiteiten het best bij u passen.
Het is aanbevolen dat u uw bloeddruk laat meten. Indien uw bloeddruk boven 144/94 is, consulteer
dan uw arts voordat u actiever wordt. Wacht met actiever worden:
Indien u zich niet lekker voelt vanwege een tijdelijke ziekte zoals een verkoudheid of koorts. Wacht
tot u weer beter bent.
Indien u zwanger bent – consulteer dan uw arts voordat u actiever gaat worden
→ Niet de vragen anders verwoorden bij onduidelijkheden, maar nog een x herhalen
, Protocol 6 min wandeltest
6 min wandeltest= de afstand die iemand aflegt in 6 minuten
Doel: wordt gebruikt om het gangpatroon, de loopsnelheid en het uithoudingsvermogen van patiënten te
beoordelen
Nodig: pionnen, hartslag meter, stopwatch, meetlint
Proefpersoon:
Voorbereiding:
Eerst schatten hoeveel afstand iemand gaat lopen: Er zijn normwaarden voor de 6-minuten wandeltest
voor gezonde volwassenen tussen 40 en 90 jaar. (10 meter heen en weer lopen)
Voorspelde afstand (man) = 1266 − (7.80*age) − (5.92*BMI)
Voorspelde afstand (vrouw) = 1064 − (5.28*age) − (6.55*BMI)
Website: Fysiocalculator (Ron van Leeuwen)
Leg de 6 MWT uit
Doe de patiënte de borstband om
Noteer de rustpols
Geef instructie aan de patiënt; straks gaat de patiënt 6 minuten wandelen om een normaal tempo ik
geef na 3 minuten aan dat u op de helft zit.
De pt mag met een hulpmiddel lopen
De pt mag langzamer lopen of pauze nemen maar de timer blijft lopen, als hij niet meer verder kan
dan is dat de gelopen afstand in 6 minuten
Uitvoering:
Ik tel tot 3 en dan mag u beginnen
Loop schuin achter de patiënt zodat jij niet het tempo bepaalt
Na 3 minuten → er zijn 3 minuten verstreken u heeft nog 3 minuten te gaan
Na 5 minuten en 45 seconden → u heeft nog 15 seconden, wilt u direct stoppen als ik dat aangeef?
Direct na het stoppen HF meten en loopafstand noteren
Afronding:
Reken het verschil uit tussen de rustpols en inspanningspols
Noteer nog eventueel gebruikte hulpmiddelen, medicatie of orthesen
Aandachtspunten:
Formule: gegeven bij toets
Scoring:
De onderzoeker scoort op het testformulier op de hierboven aangegeven momenten de hartfrequentie (in
slagen per minuut) en de totaal gelopen afstand (in meters). Daarna rekent hij het verschil uit tussen de
inspanningspols en de rustpols en noteert de uitkomst bij BABI (beats above baseline index). Daarnaast
noteert hij de gebruikte orthesen en loophulpmiddelen en de door de patiënt gebruikte cardiale medicatie.
Normwaarde
Een score onder de 82% van wat werd voorspeld wordt gezien als afwijkend.
Betrouwbaarheid ICC 0.97
Validiteit: 0.59