Samenvatting
Tentamen ‘Onderzoeksmethodologie I’
H1. Wat wil de onderzoeker weten?
Acht stappen voor het doen van onderzoek:
1. Maak een gedetailleerde probleemanalyse
2. Formuleer een bijpassende onderzoeksvraag
3. Doe literatuuronderzoek
4. Bepaal het bijpassende onderzoeksontwerp
5. Stel een vragenlijst samen
6. Voer het onderzoek uit
7. Analyseer de gegevens
8. Maak en presenteer het adviesrapport
1.1 Wat zijn de probleemstelling, doelstelling en onderzoeksvraag?
Inleiding Je schetst de achtergrond van het onderzoek.
Opbouw inleiding:
- Aanleiding
- Achtergronden
- Probleemanalyse
- Doelstelling
- Hoofdvraag
- Relevantie
Er komen geen deelvragen in de inleiding te staan
Probleemstelling
= De achtergrond waaruit je onderzoeksvraag komt. Je onderzoeksvraag is vaak
tweedelig kennisgerichte vraag & beleidsvraag
Beleidsvraag = Meestal een advies over wat je als instelling of bedrijf moet doen
Verschil tussen een onderzoeksvraag en een beleidsvraag:
Bij een onderzoeksvraag geef je niet gelijk advies over hoe iets opgelost wordt, bij een
beleidsvraag wel
Doelstelling
= Het antwoord op de vraag waarom je het onderzoek doet, wat je ermee wilt bereiken
Zuiver wetenschappelijk onderzoek = Doel om met onderzoek alleen kennis te
verzamelen
Toegepast onderzoek = Kennis verzamelen, maar ook toepassen. Het draagt bij aan een
oplossing van een probleem
Verschil tussen wetenschappelijk en toegepast onderzoek
Toegepast:
- Problemen van de beroepsbeoefenaar
- Opdrachtgever vaak uit het werkveld
- Samenwerken met betrokkenen
- Direct toepasbare kennis
- Gelijk aan de slag met uitkomsten
Wetenschappelijk:
- Gericht op theorievorming
- Toepasbaar voor grote groep
,- Niet direct toepasbaar
- Zelfstandig uitvoeren
Onderzoeksethiek
= Je voert onderzoek alleen uit als je volgende vijf vragen positief kunt beantwoorden:
1. Doen respondenten vrijwillig mee?
2. Wordt er aan de respondenten van te voren uitgelegd wat het doel de werkwijze is?
3. Worden de gegevens van de respondenten vertrouwelijk (anoniem) verwerkt?
4. Hebben de uitkomsten geen nadelige gevolgen voor de respondenten?
5. Wordt het op een eerlijke en objectieve manier uitgevoerd?
Respondent = Iemand die antwoordt op een schriftelijke enquête. Iemand neemt deel
aan een onderzoek
Respons = Reactie op een oproep (enquête)
Non-respons = Niet reageren op een oproep (enquête)
Onderzoeksvraag
= De vraag waarop het onderzoek antwoord moet geven
Belangrijk bij onderzoeksvraag:
- Let op dat de onderzoeksvraag ook echt een vraag is
- Door de onderzoeksvraag helder te beschrijven voorkom je teleurstellingen en
misverstanden
- Overleggen met opdrachtgevers
1.2 Gaat het om een open of gesloten onderzoeksvraag, een kwalitatief of
kwantitatief onderzoek?
Open en gesloten onderzoeksvragen
Open onderzoeksvraag = Kwalitatief onderzoek = Is het verifieerbaar?
De onderzoekers beginnen met een open vizier
Gesloten onderzoeksvraag = Kwantitatief onderzoek = Is het reproduceerbaar? Doordat
de onderzoekers weten wat ze willen onderzoeken kunnen ze gericht te werk
gaan
Kwalitatief en kwantitatief onderzoek
Kwalitatief onderzoek
- Open onderzoeksvraag
- Onderzoeksvraag kun je tijdens het proces aanpassen
- Doel is vooral het ontwikkelen van (nieuwe) ideeën
- Je verzamelt op verschillende manieren data
- Resultaat van dataverzameling zijn observaties en gespreksverslagen
Kwantitatief onderzoek
- Gesloten onderzoeksvraag
- De onderzoeksvraag ligt vast
- Doel is vooral beschrijven en toetsen van vooraf vastgelegde ideeën
- Je verzamelt op één manier data (vaak enquête)
- Resultaat van dataverzameling zijn cijfers
Verifieerbaarheid = Duidelijk maken hoe je aan je conclusies komt. De conclusies moeten
geloofwaardig en transparant zijn (Kwalitatief onderzoek)
Reproduceerbaarheid = Je moet je onderzoeksvraag zo maken, dat iemand anders in
staat is het onderzoek over te doen. Dan is het duidelijk hoe je aan je respondenten
kwam en welke onderzoeksinstrumenten je gebruikte (Kwantitatief onderzoek)
, 1.3 Wat zijn onderzoekseenheden en eigenschappen/kenmerken?
Populatie = Alle eenheden gezamenlijk
Onderzoekseenheden
= Personen, instanties of situaties waarover je op basis van je onderzoek uitspraken wilt
doen
Generalisatie = Je vraagt jezelf af voor wie uiteindelijk de uitkomsten van je onderzoek
gaan gelden
Eigenschappen/kenmerken
= De eigenschappen van de eenheden waarover je uitspraken doet op basis van de
onderzoeksresultaten
Verband tussen eenheden en kenmerken
Datamatrix = Een tabel waarin gegevens overzichtelijk zijn weergegeven
1.4 Wat is er al bekend over het onderzoeksonderwerp?
Literatuuronderzoek
Thesaurus = Een soort woordenboek waar je begrippen in opzoekt
Google Books = Website specifiek gericht op het zoeken van boeken
1.5 Gaat het om beschrijven, exploreren of toetsen?
Beschrijvend onderzoek
Beschrijvend onderzoek = Onderzoek waarbij het gaat om registratie en systematische
ordening van wat zich voordoet op een bepaald gebied, waarbij niet wordt gestreefd naar
de ontwikkeling van een theorie of het formuleren van een hypothese
- Gevolgen of oplossingen
Explorerend/verkennend onderzoek
Explorerend/verkennend onderzoek = Onderzoek dat frequenties, samenhangen en
verschillen exploreert met als doel om tot een theorie te komen
- Relaties tussen kenmerken
- Doel: tot een theorie of verklaring komen waarom dingen gaan zoals ze gaan
Toetsend onderzoek
Toetsend onderzoek = Onderzoek waarin je toetst of je steun kunt vinden voor en van
tevoren geformuleerde verwachting, meestal een hypothese gebaseerd op een theorie
- Opzoek naar bewijs voor theorie
Hypothese= Een vaak op theorie gebaseerd antwoord op de onderzoeksvraag, die je in
het onderzoek toetst. Geeft en voorlopig antwoord op je hoofdvraag
Theorie = Een aantal logisch gekoppelde en geloofwaardige beweringen die een
verklaring voor een specifiek fenomeen vormen
Templatebenadering = Je toetst of een eerder ontwikkelde theorie ook geldig is in een
nieuwe andere situatie
Evaluatieonderzoek = Je gaat na of er inderdaad sprake is van het beoogde effect
Actieonderzoek = Bedoeld om verandering tot stand te brengen. Bij actieonderzoek gaat
het vrijwel altijd om een vorm van participerend onderzoek. Je probeert samen met de
betrokkenen oplossingen te bedenken
1.6 Is het onderzoek uitvoerbaar?
Vier factoren die uitvoerbaarheid van een onderzoek bepalen:
1. Tijd 3. Bereidheid respondenten
2. Geld 4. Bereikbaarheid respondenten
Tentamen ‘Onderzoeksmethodologie I’
H1. Wat wil de onderzoeker weten?
Acht stappen voor het doen van onderzoek:
1. Maak een gedetailleerde probleemanalyse
2. Formuleer een bijpassende onderzoeksvraag
3. Doe literatuuronderzoek
4. Bepaal het bijpassende onderzoeksontwerp
5. Stel een vragenlijst samen
6. Voer het onderzoek uit
7. Analyseer de gegevens
8. Maak en presenteer het adviesrapport
1.1 Wat zijn de probleemstelling, doelstelling en onderzoeksvraag?
Inleiding Je schetst de achtergrond van het onderzoek.
Opbouw inleiding:
- Aanleiding
- Achtergronden
- Probleemanalyse
- Doelstelling
- Hoofdvraag
- Relevantie
Er komen geen deelvragen in de inleiding te staan
Probleemstelling
= De achtergrond waaruit je onderzoeksvraag komt. Je onderzoeksvraag is vaak
tweedelig kennisgerichte vraag & beleidsvraag
Beleidsvraag = Meestal een advies over wat je als instelling of bedrijf moet doen
Verschil tussen een onderzoeksvraag en een beleidsvraag:
Bij een onderzoeksvraag geef je niet gelijk advies over hoe iets opgelost wordt, bij een
beleidsvraag wel
Doelstelling
= Het antwoord op de vraag waarom je het onderzoek doet, wat je ermee wilt bereiken
Zuiver wetenschappelijk onderzoek = Doel om met onderzoek alleen kennis te
verzamelen
Toegepast onderzoek = Kennis verzamelen, maar ook toepassen. Het draagt bij aan een
oplossing van een probleem
Verschil tussen wetenschappelijk en toegepast onderzoek
Toegepast:
- Problemen van de beroepsbeoefenaar
- Opdrachtgever vaak uit het werkveld
- Samenwerken met betrokkenen
- Direct toepasbare kennis
- Gelijk aan de slag met uitkomsten
Wetenschappelijk:
- Gericht op theorievorming
- Toepasbaar voor grote groep
,- Niet direct toepasbaar
- Zelfstandig uitvoeren
Onderzoeksethiek
= Je voert onderzoek alleen uit als je volgende vijf vragen positief kunt beantwoorden:
1. Doen respondenten vrijwillig mee?
2. Wordt er aan de respondenten van te voren uitgelegd wat het doel de werkwijze is?
3. Worden de gegevens van de respondenten vertrouwelijk (anoniem) verwerkt?
4. Hebben de uitkomsten geen nadelige gevolgen voor de respondenten?
5. Wordt het op een eerlijke en objectieve manier uitgevoerd?
Respondent = Iemand die antwoordt op een schriftelijke enquête. Iemand neemt deel
aan een onderzoek
Respons = Reactie op een oproep (enquête)
Non-respons = Niet reageren op een oproep (enquête)
Onderzoeksvraag
= De vraag waarop het onderzoek antwoord moet geven
Belangrijk bij onderzoeksvraag:
- Let op dat de onderzoeksvraag ook echt een vraag is
- Door de onderzoeksvraag helder te beschrijven voorkom je teleurstellingen en
misverstanden
- Overleggen met opdrachtgevers
1.2 Gaat het om een open of gesloten onderzoeksvraag, een kwalitatief of
kwantitatief onderzoek?
Open en gesloten onderzoeksvragen
Open onderzoeksvraag = Kwalitatief onderzoek = Is het verifieerbaar?
De onderzoekers beginnen met een open vizier
Gesloten onderzoeksvraag = Kwantitatief onderzoek = Is het reproduceerbaar? Doordat
de onderzoekers weten wat ze willen onderzoeken kunnen ze gericht te werk
gaan
Kwalitatief en kwantitatief onderzoek
Kwalitatief onderzoek
- Open onderzoeksvraag
- Onderzoeksvraag kun je tijdens het proces aanpassen
- Doel is vooral het ontwikkelen van (nieuwe) ideeën
- Je verzamelt op verschillende manieren data
- Resultaat van dataverzameling zijn observaties en gespreksverslagen
Kwantitatief onderzoek
- Gesloten onderzoeksvraag
- De onderzoeksvraag ligt vast
- Doel is vooral beschrijven en toetsen van vooraf vastgelegde ideeën
- Je verzamelt op één manier data (vaak enquête)
- Resultaat van dataverzameling zijn cijfers
Verifieerbaarheid = Duidelijk maken hoe je aan je conclusies komt. De conclusies moeten
geloofwaardig en transparant zijn (Kwalitatief onderzoek)
Reproduceerbaarheid = Je moet je onderzoeksvraag zo maken, dat iemand anders in
staat is het onderzoek over te doen. Dan is het duidelijk hoe je aan je respondenten
kwam en welke onderzoeksinstrumenten je gebruikte (Kwantitatief onderzoek)
, 1.3 Wat zijn onderzoekseenheden en eigenschappen/kenmerken?
Populatie = Alle eenheden gezamenlijk
Onderzoekseenheden
= Personen, instanties of situaties waarover je op basis van je onderzoek uitspraken wilt
doen
Generalisatie = Je vraagt jezelf af voor wie uiteindelijk de uitkomsten van je onderzoek
gaan gelden
Eigenschappen/kenmerken
= De eigenschappen van de eenheden waarover je uitspraken doet op basis van de
onderzoeksresultaten
Verband tussen eenheden en kenmerken
Datamatrix = Een tabel waarin gegevens overzichtelijk zijn weergegeven
1.4 Wat is er al bekend over het onderzoeksonderwerp?
Literatuuronderzoek
Thesaurus = Een soort woordenboek waar je begrippen in opzoekt
Google Books = Website specifiek gericht op het zoeken van boeken
1.5 Gaat het om beschrijven, exploreren of toetsen?
Beschrijvend onderzoek
Beschrijvend onderzoek = Onderzoek waarbij het gaat om registratie en systematische
ordening van wat zich voordoet op een bepaald gebied, waarbij niet wordt gestreefd naar
de ontwikkeling van een theorie of het formuleren van een hypothese
- Gevolgen of oplossingen
Explorerend/verkennend onderzoek
Explorerend/verkennend onderzoek = Onderzoek dat frequenties, samenhangen en
verschillen exploreert met als doel om tot een theorie te komen
- Relaties tussen kenmerken
- Doel: tot een theorie of verklaring komen waarom dingen gaan zoals ze gaan
Toetsend onderzoek
Toetsend onderzoek = Onderzoek waarin je toetst of je steun kunt vinden voor en van
tevoren geformuleerde verwachting, meestal een hypothese gebaseerd op een theorie
- Opzoek naar bewijs voor theorie
Hypothese= Een vaak op theorie gebaseerd antwoord op de onderzoeksvraag, die je in
het onderzoek toetst. Geeft en voorlopig antwoord op je hoofdvraag
Theorie = Een aantal logisch gekoppelde en geloofwaardige beweringen die een
verklaring voor een specifiek fenomeen vormen
Templatebenadering = Je toetst of een eerder ontwikkelde theorie ook geldig is in een
nieuwe andere situatie
Evaluatieonderzoek = Je gaat na of er inderdaad sprake is van het beoogde effect
Actieonderzoek = Bedoeld om verandering tot stand te brengen. Bij actieonderzoek gaat
het vrijwel altijd om een vorm van participerend onderzoek. Je probeert samen met de
betrokkenen oplossingen te bedenken
1.6 Is het onderzoek uitvoerbaar?
Vier factoren die uitvoerbaarheid van een onderzoek bepalen:
1. Tijd 3. Bereidheid respondenten
2. Geld 4. Bereikbaarheid respondenten