Nerveuze/humorale signalen zorgen voor signaaltransductie tussen organen
Open regelsysteem = geen koppeling tussen uitgang en ingang (zoals het hart
en de nier, vergelijk het met een kraan)
Y = A*X
(Uitgang = versterking * ingang)
Allemaal mooi, maar het werkt alleen als je grote variaties kan voorkomen
d.m.v. terugkoppeling (feedback)
Meten = sensor
Vergelijken = comparator
Versterken = amplifier
Verbindingslijnen = zenuwen/hormonen
Negatieve feedback:
Zie schrift
Positieve feedback:
Zie schrift
Een verstoring bij de ingang of een externe verstoring is niet heel erg; een
verstoring in de sensor of comparator is wel ernstig! Je kan in dat geval niet
goed reguleren
Informatiekanalen:
AZS – snel effect, weinig verschillende transmitters, werkt vooral ‘elektrisch’:
- Sympathisch
- Parasympatisch
Hormonaal systeem - effect na minuten-dagen, veel verschillende transmitters,
via bloed
- signaalstof via bloed naar doelorgaan
Overeenkomsten: beide werken met receptoren, beide geven zowel plaatselijke
als zeer wijd verbreid effect geven
, AZS: preganglionair neuron (CZS) – postganglionair neuron (perifeer ganglion) –
doelwit cel
Sympathisch = ruggenmergzenuwen, inclusief bijniermerg
Parasympathisch = meelopen met hersenen + n. vagus en uit het sacraal
ruggenmerg
Sympathisch = katabool effect, exciterend (voortbestaan individu)
Parasympathisch = anabool effect, inhiberend (voortbestaan soort)
Receptoren:
- pre-ganglionair = ionkanaal N-receptor (nicotinerg, is zowel een
ionkanaal als een receptor)
- postganglionair = G-eiwit gebonden
o OS = adrenerge receptoren, alfa, beta
o PS = mucarinerge receptoren, m.
Signaalfucnties zijn allemaal in zekere mate aanwezig à tonus van het geheel
Hormonen
3 categorieen:
Amines (bron tyrosine/tryptofaan) à bijvoorbeeld adrenaline, noradrenaline,
schildklierhormoon
Peptiden & proteïnen à insuline, FSH, LH
Stereoid (bron cholesterol) à oestrogen, cortisol
Transport
- Veelal gebonden aan eiwitten, veelal door stereoiden , T3/T4, IFG-1
- Ongebonden fractie is biologisch actief: (N) adrenaline, peptide
hormonen
Actie
Koppeling aan receptor, de plek waar het hormoon bindt is indicatief voor de
tijd voordat die werkt:
- membraan: snel effect (peptiden, (N)A)
- Intracellulair, cytoplasma: kost meer tijd (testosteron, oestrogeen)
- Nucleair: interactie met DNA, effect traag (T3/T4)