, Hoorcollege 4
Tractus digestivus = ongeveer 9m lang, van mond tot anus.
Buis:
Mond
Pharynx (keelholte)
Oesophagus (slokdarm)
maag
dunne darm
dikke darm
Klieren:
Speekselklieren (mond)
Lever/galblaas (galblaas = opslag gal, lever produceert gal)
Pancreas (alvleesklier, ligt achter maag)
Talloze kleinere klieren
Slokdarm = stortkoker, verbind pharynx met de maag, geen vertering
De pharynx is niet verbonden met de maag, dus verbindt de slokdarm de
pharynx met de maag door de thorax heen.
Slokdarm
In de thorax is de druk lager dan in de buikholte, omdat de longen elastisch zijn
en van nature de neiging hebben in elkaar te klappen. Er wordt voorkomen dat
ze in elkaar klappen door in de thorax een sub-atmosferische druk te
handhaven. De benigheid van de borst zorgt voor een frame en de
mogelijkheid tot lage druk generatie. In de buik heerst een hoge druk, zodat de
organen op hun plek blijven liggen, daarom zijn er in de buikholte veel spieren,
zodat een hoge druk wordt gegenereerd.
In de slokdarm heerst dus ook een lage druk, dus is er de neiging om lucht en
slijm aan te zuigen + maagzuur aan te zuigen. (reflux) → oftewel er wordt voor
gezorgd dat de slokdarm aan het begin en einde afgesloten is.
Sfincter = kringspier die iets afsluit.
UES = upper esophagal sfincter
LES = lower esophagal sfincter
Stukje slokdarmwand dat in staat is om een hoge druk te genereren en zo de
slokdarm dicht te drukken.
LES = functionele kringspier; het functioneert als een kringspier maar is dat
anatomisch niet.
De LES wordt ondersteund door het diafragma dat een spierlusje legt om de
slokdarmwand (externe sfincter)
Kortom: er is geen reflux als er geen voedsel inname is.
Slokdarm heeft 2 spierlagen: