H6.1 DE RELATIE MENS EN MILIEU
A. BIODIVERSITEIT
● Organismen zijn afhankelijk van biodiversiteit
○ Voedsel, medicijnen, kleding
● Diensten en producten die het ecosysteem aan de mensen levert → ecosysteemdienst.
○ Productiedienst: versterkt van product door een ecosysteem.
○ Culturele diensten: gelegenheid geven tot recreatie.
○ Regulerende diensten: dienst die de andere diensten ondersteunt.
B. MENSEN BEÏNVLOEDEN HET MILIEU
● Voordelen:
○ Variatie.
○ Door verstoring ontstaat variatie in bodem, waterhuishouding, reliëf en weersinvloeden. In
een gebied met veel variatie zullen ook veel soorten zijn.
○ Variatie kan ook ontstaan door natuurlijke oorzaak
● Nadelen:
○ Vervuiling: stoffen toevoegen aan het milieu.
○ Uitputting van stoffen: stoffen van de grond onttrekken en uitputting.
○ Aantasting: het milieu ernstig veranderen.
C. DUURZAME ONTWIKKELING
● Duurzame ontwikkeling: onze vooruitgang gaat niet ten koste van de huidige generatie mensen of de
natuur en ook niet van de generaties die na ons komen.
● Kringloopeconomie (circulaire economie): een economisch industrieel systeem waarin de
grondstofvoorraden niet worden uitgeput en waarin reststoffen opnieuw worden ingezet in het
proces.
● Lineaire economie: economisch systeem waarin grondstoffen worden uitgeput en afval in het milieu
komt.
D. OORZAKEN VAN MILIEUPROBLEMEN
● Wereldbevolking is toegenomen, hierdoor neemt de bevolkingsdruk ook toe.
○ Een hoge bevolkingsdruk: verhouding tussen het aantal mensen in een gebied en de
beschikbare hulpbronnen.
○ Hoge bevolkingsdruk → hoge druk in het milieu.
E. VERANDERINGEN IN LANDBOUW EN LANDSCHAP
● Steeds meer mensen hebben voedsel nodig dus hebben we meer landbouwgrond nodig.
○ Bossen worden weggehaald voor landbouwgrond.
● De biodiversiteit neemt af.
H6.2 KRINGLOPEN
A. KOOLSTOFKRINGLOOP
● BINAS 93F
● Autotrofe organismen gebruiken CO2 uit de lucht om door
fotosynthese glucose te vormen.
, ● Autotrofe soorten verbruiken een deel van die glucose bij de dissimilatie, ze geven het vrijgekomen
CO2 weer af aan de lucht.
● Een ander deel van de glucose wordt omgezet in de organische stoffen waaruit de autotrofe soorten
bestaan.
● De koolstofatomen bevinden zich dan in de moleculen van deze stoffen.
● Als een heterotroof organisme een autotroof individu eet, komen de organische stoffen in het
autotrofe organisme in het heterotrofe organisme terecht.
● Na opname wordt een deel van de organische stoffen gebruikt om energie te leveren.
● Hierbij komt weer CO2 vrij, een ander deel wordt omgezet in dierlijke organische stoffen.
● Een deel van de organische stoffen wordt niet verteerd maar uitgescheiden met de uitwerpselen.
● Detritus: alle dode resten en andere afvalproducten van organismen.
● Fossiele brandstoffen kunnen ontstaan als organische stoffen gedeeltelijk door anaerobe bacteriën
worden afgebroken.
B. STIKSTOFKRINGLOOP
● BINAS 93G
● Planten nemen stikstof uit de bodem op, vooral nitraationen.
● Er vindt dan stikstofassimilatie plaats: het vormen van organische stoffen (eiwitten, aminozuren) met
stikstof.
● Plantaardige eiwitten worden afgebroken tot aminozuren, daaruit maakt het dier weer eiwitten. Een
deel van de eiwitten wordt afgebroken, komt ammoniak bij vrij.
● Ammonificatie: eiwitten in detritus en de afbraakproducten
van eiwitten in de urine worden opgenomen door
rottingsbacteriën en uro bacteriën. Bij de dissimilatie van deze
stoffen door bacteriën ontstaat ammoniak.
● Ammoniak wordt omgezet in ammonium-ionen.
● Ammoniumionen worden door nitrietbacteriën omgezet in
nitriet-ionen.
● Nitriet-ionen worden door nitraatbacteriën omgezet in
nitraationen.
● Nitraationen kunnen door planten opgenomen worden.
● Nitrificatie: het proces waarbij ammonium en zuurstof worden
omgezet in nitriet, dat vervolgens met zuurstof wordt
omgezet in nitraat.
● Nitrificerende bacteriën: nitrieten en nitraatbacteriën.
● Bij de vorming van nitraationen uit ammoniumionen hebben
nitrificerende bacteriën zuurstof nodig.
● Zuurstofarm → denitrificerende bacteriën.
C. STIKSTOFBINDING
● Stikstofbinding (stikstoffixatie): proces waarbij bacteriën uit de bodem stikstof uit de lucht kunnen
gebruiken voor stofwisseling. Splitsen stikstofmoleculen in 2 stikstofatomen. Die stikstofatomen
binden aan waterstofatomen, ammoniak ontstaat → anaerobe omstandigheden
○ Stikstoffixatie kan alleen plaatsvinden onder anaerobe omstandigheden.
A. BIODIVERSITEIT
● Organismen zijn afhankelijk van biodiversiteit
○ Voedsel, medicijnen, kleding
● Diensten en producten die het ecosysteem aan de mensen levert → ecosysteemdienst.
○ Productiedienst: versterkt van product door een ecosysteem.
○ Culturele diensten: gelegenheid geven tot recreatie.
○ Regulerende diensten: dienst die de andere diensten ondersteunt.
B. MENSEN BEÏNVLOEDEN HET MILIEU
● Voordelen:
○ Variatie.
○ Door verstoring ontstaat variatie in bodem, waterhuishouding, reliëf en weersinvloeden. In
een gebied met veel variatie zullen ook veel soorten zijn.
○ Variatie kan ook ontstaan door natuurlijke oorzaak
● Nadelen:
○ Vervuiling: stoffen toevoegen aan het milieu.
○ Uitputting van stoffen: stoffen van de grond onttrekken en uitputting.
○ Aantasting: het milieu ernstig veranderen.
C. DUURZAME ONTWIKKELING
● Duurzame ontwikkeling: onze vooruitgang gaat niet ten koste van de huidige generatie mensen of de
natuur en ook niet van de generaties die na ons komen.
● Kringloopeconomie (circulaire economie): een economisch industrieel systeem waarin de
grondstofvoorraden niet worden uitgeput en waarin reststoffen opnieuw worden ingezet in het
proces.
● Lineaire economie: economisch systeem waarin grondstoffen worden uitgeput en afval in het milieu
komt.
D. OORZAKEN VAN MILIEUPROBLEMEN
● Wereldbevolking is toegenomen, hierdoor neemt de bevolkingsdruk ook toe.
○ Een hoge bevolkingsdruk: verhouding tussen het aantal mensen in een gebied en de
beschikbare hulpbronnen.
○ Hoge bevolkingsdruk → hoge druk in het milieu.
E. VERANDERINGEN IN LANDBOUW EN LANDSCHAP
● Steeds meer mensen hebben voedsel nodig dus hebben we meer landbouwgrond nodig.
○ Bossen worden weggehaald voor landbouwgrond.
● De biodiversiteit neemt af.
H6.2 KRINGLOPEN
A. KOOLSTOFKRINGLOOP
● BINAS 93F
● Autotrofe organismen gebruiken CO2 uit de lucht om door
fotosynthese glucose te vormen.
, ● Autotrofe soorten verbruiken een deel van die glucose bij de dissimilatie, ze geven het vrijgekomen
CO2 weer af aan de lucht.
● Een ander deel van de glucose wordt omgezet in de organische stoffen waaruit de autotrofe soorten
bestaan.
● De koolstofatomen bevinden zich dan in de moleculen van deze stoffen.
● Als een heterotroof organisme een autotroof individu eet, komen de organische stoffen in het
autotrofe organisme in het heterotrofe organisme terecht.
● Na opname wordt een deel van de organische stoffen gebruikt om energie te leveren.
● Hierbij komt weer CO2 vrij, een ander deel wordt omgezet in dierlijke organische stoffen.
● Een deel van de organische stoffen wordt niet verteerd maar uitgescheiden met de uitwerpselen.
● Detritus: alle dode resten en andere afvalproducten van organismen.
● Fossiele brandstoffen kunnen ontstaan als organische stoffen gedeeltelijk door anaerobe bacteriën
worden afgebroken.
B. STIKSTOFKRINGLOOP
● BINAS 93G
● Planten nemen stikstof uit de bodem op, vooral nitraationen.
● Er vindt dan stikstofassimilatie plaats: het vormen van organische stoffen (eiwitten, aminozuren) met
stikstof.
● Plantaardige eiwitten worden afgebroken tot aminozuren, daaruit maakt het dier weer eiwitten. Een
deel van de eiwitten wordt afgebroken, komt ammoniak bij vrij.
● Ammonificatie: eiwitten in detritus en de afbraakproducten
van eiwitten in de urine worden opgenomen door
rottingsbacteriën en uro bacteriën. Bij de dissimilatie van deze
stoffen door bacteriën ontstaat ammoniak.
● Ammoniak wordt omgezet in ammonium-ionen.
● Ammoniumionen worden door nitrietbacteriën omgezet in
nitriet-ionen.
● Nitriet-ionen worden door nitraatbacteriën omgezet in
nitraationen.
● Nitraationen kunnen door planten opgenomen worden.
● Nitrificatie: het proces waarbij ammonium en zuurstof worden
omgezet in nitriet, dat vervolgens met zuurstof wordt
omgezet in nitraat.
● Nitrificerende bacteriën: nitrieten en nitraatbacteriën.
● Bij de vorming van nitraationen uit ammoniumionen hebben
nitrificerende bacteriën zuurstof nodig.
● Zuurstofarm → denitrificerende bacteriën.
C. STIKSTOFBINDING
● Stikstofbinding (stikstoffixatie): proces waarbij bacteriën uit de bodem stikstof uit de lucht kunnen
gebruiken voor stofwisseling. Splitsen stikstofmoleculen in 2 stikstofatomen. Die stikstofatomen
binden aan waterstofatomen, ammoniak ontstaat → anaerobe omstandigheden
○ Stikstoffixatie kan alleen plaatsvinden onder anaerobe omstandigheden.