Chapter 1
De mens is het enige wezen dat zichzelf kan beschouwen, aan het eind van de 19 e eeuw nam
deze zelfbeschouwing een wetenschappelijke afslag. Nu noemen we dat psychologie; de
wetenschap van gedrag en mentale processen.
Three fundamental ideas of psychology:
1. Gedrag en mentale ervaringen hebben fysieke oorzaken die wetenschappelijk
bestudeerd kunnen worden/lichamelijke oorzaak van gedrag
Kerk: mens bestaat uit een materieel lichaam en een immateriële ziel. Dit wordt
dualisme genoemd. Het lichaam kan wetenschappelijk onderzocht worden, de ziel,
daarentegen, kan niet wetenschappelijk worden onderzocht omdat het een
bovennatuurlijke entiteit is die volgens eigen wil handelt.
Eerst zeiden dualisten dat de interessante kwaliteiten van het lichaam (zoals zichzelf
verwarmen, bewegen), door de ziel kwamen.
Descartes verwierp dit, volgens hem is de ziel niet betrokken bij lichamelijke
processen/acties zoals zichzelf verwarmen of bewegen.
Volgens hem is hetgeen wat de mens uniek maakt, het hebben van een ziel. En het
enige waar de ziel voor zorgt, is het hebben van gedachten. Volgens Descartes
interacteren de ziel en het lichaam in een bepaald orgaan, namelijk de pijnappelklier
(Cartesiaans dualisme). Deze gedachten heeft voordelen, maar ook serieuze
limitaties hoe kan een materieel iets inacteren met een immaterieel iets? En de
ziel kan niet wetenschappelijk onderzocht worden.
Volgens Thomas Hobbes is de ziel of geest een betekenisloos concept, alleen materie
en energie bestaan. Dit wordt ook wel materialisme genoemd. Volgens hem komt al
het menselijk gedrag vanuit het lichaam, en vooral vanuit de hersenen. Bewustzijn is
volgens hem een product van het brein en daarom onderworpen aan de
natuurwetgeving. Dit idee, dat het lichaam en het brein een machine zijn, zorgde
voor de promotie van fysiologisch onderzoek.
Reflexologie (Sechenov) = het idee dat alle menselijke gedragingen komen door
reflexen op stimuli uit de omgeving.
Paul Broca (1861/1965) publiceerde bewijs dat mensen die schade hebben aan een
specifiek deel van de hersenen, spraak verliezen, maar geen andere mentale
mogelijkheden verloren. Deze bewijzen gaven substantie aan het idee dat er een
materiele basis is voor mentale processen.
2. De manier waarop mensen denken, zich gedragen en voelen is met de tijd veranderd
door wat mensen in hun omgeving meemaken/rol van ervaring
Empirisme = het idee dat menselijke kennis en gedachten alleen voortkomen uit
zintuigelijke ervaring.
Volgens John Locke kan de geest van een kind worden omschreven als een ‘tabula
rasa’, die wordt aangevuld door ervaringen. Vanuit dit perspectief is er dus geen
“human nature”.
Complexe gedachten en ideeën ontstaan door samengevoegde zintuigelijke
ervaringen.
,Inleiding Psychologie boek
Association by contiguity = als twee evenementen tegelijk of vlak achter elkaar
komen, zullen mensen deze twee dingen altijd bij elkaar associëren. Zoals een
complex idee als een appel (het woord, smaak, kleur, etc.).
John Stuart Mill: hij vergelijkt de complexe ideeën met chemische bestanddelen die
bestaan uit chemische elementen.
Het tegenovergestelde van empirisme is nativisme.
Nativisme = de meest basis vormen van menselijke kennis en opererende
karakteristieken van de geest, zijn aangeboren. Om iets te leren, moeten er namelijk
al dingen ingebouwd zijn. Een papiertje bijvoorbeeld, valt niks te leren. Een mens valt
veel te leren. Dus er is zeker al wat aanwezig in de geest, om van daaruit verder te
leren door ervaringen.
Kant onderscheidde a priori kennis (aangeboren) met a posteriori kennis (aangeleerd
door ervaring). Voor a posteriori is a priori nodig (een taal leren bijvoorbeeld).
Volgens Kant moet een kind ook fundamentele fysische concepten hebben, om
dingen (zoals de rondheid van een appel) te kunnen zien/begrijpen.
3. De machine van het lichaam, die gedrag en mentale ervaringen produceert, is een
product van evolutie door natuurlijke selectie/rol van natuurlijke selectie
Darwin kwam met het idee dat levende wezens evolueren, door natuurlijke selectie.
Individuen waarvan hun innerlijke karakteristieken goed toepasbaar zijn op de
omgeving overleven makkelijker dan individuen waarbij dit niet zo is. Volgens hem
zijn menselijke emoties (zoals lachen) zijn ingebakken, omdat dit ook een kwaliteit is
om beter te kunnen overleven (= functionalisme).
Darwin heeft mensen overtuigd dat mensen deel zijn van de natuurlijke wereld en
dat we begrepen kunnen worden door de methoden van wetenschap. Hij maakte in
die manier de wereld rijp voor psychologie.
In de psychologie kan gedrag op verschillende manieren worden bekeken:
Neurologisch (het brein als oorzaak)
Fysiologisch (interne chemische functies, zoals hormonen, als oorzaak)
Genetisch (genen als oorzaak)
Evolutionair (natuurlijke selectie als oorzaak)
Lerend (voorgaande ervaringen met de omgeving als oorzaak)
Cognitief (individuele kennis of ideeën als oorzaak)
Sociaal (invloed van andere mensen als oorzaak)
Cultureel (de cultuur waarin iemand zich ontwikkeld als oorzaak)
Ontwikkeling (leeftijd gerelateerde veranderingen als oorzaak)
Werken na studie psychologie:
Op universiteiten en colleges
Klinische setting
Basis- en middelbare school
Zakelijk en overheid
Frenologie = studie van gedrag en de impact van de hersendelen daarop.
, Inleiding Psychologie boek
Chapter 2
Een theorie is een idee die is ontstaan om observaties uit te leggen en om mogelijk nieuwe
observaties te voorspellen. Zo’n voorspelling wordt een hypothese genoemd. Observaties
leiden tot theorieën, theorieën leiden tot hypotheses, hypotheses worden getoetst aan de
hand van experimenten, wat leidt tot nieuwe observaties, en zo begint de cirkel weer
opnieuw (= cirkel van de wetenschap).
Drie specifieke lessen over wetenschappelijk onderzoek:
De waarde van scepticisme: een wetenschapper moet een theorie altijd proberen te
falsifiëren. Hij beschouwt een theorie pas als correct als die potentieel gefalsifieerd
kon worden maar alle pogingen daartoe tot zover heeft doorstaan.
De waarde van voorzichtige observaties onder gecontroleerde omstandigheden: het
is heel belangrijk om goed te observeren, en bij bepaalde gedachten het onderzoek
telkens wat aan te passen. Dit moet gebeuren onder goede omstandigheden.
Het probleem van de verwachting van de observator: mensen die observeren kunnen
wellicht hun verwachtingen van hoe de onderzochte zich moet gedragen doorspelen
zonder die intentie te hebben. Bijvoorbeeld door gezichtsuitdrukkingen, kunnen de
geobserveerde beïnvloed worden door de examinator.
Drie dimensies van onderzoek strategieën:
Het onderzoek model: drie basis types experimenten, correlationele studies en
beschrijvende studies.
De setting waarin de studie plaatsvindt: twee basis types het lab en op het veld.
De data-verzamelen methode: twee basis types zelfrapportage en observatie.
Onderzoek model
Een experiment is een procedure waarin de onderzoeker systematisch een of meer
losstaande variabelen manipuleert en zo kijkt naar verschillen in een of meer afhankelijke
variabelen, terwijl hij alle andere variabelen constant houdt. In het beschrijven van een
experiment, is de variabele die wordt gehypothetiseerd om een effect op een andere
variabele te veroorzaken de onafhankelijke variabele. De variabele die geëffectueerd kan
worden is de afhankelijke variabele.
Within-subject experimenten: elk subject is getest in elk van de verschillende condities van
de onafhankelijke variabele.
Between-groups experimenten: er is een gescheiden groep van subjecten voor elke
verschillende conditie van de onafhankelijke variabele.
Een correlationele studie kan worden omschreven als een studie waarin de onderzoeker
geen enkele variabele manipuleert, maar hij observeert twee of meer al bestaande
afhankelijke variabelen om relaties tussen hen te ontdekken.
Beschrijvende studies beschrijft het gedrag van een of meer individuen zonder relaties
tussen verschillende variabelen te onderzoeken.