Hoofdstuk 7 - Macro-economische begrippen
7.1 De economische situatie als omgevingsfactor
Microniveau → concurrentieverhoudingen op in- en verkoopmarkten.
Mesoniveau → sectoren en bedrijfstakken.
Macroniveau → economie als geheel.
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) → cijferreeksen over economische
trends uit het verleden.
Centraal Planbureau (CPB) → toekomstige ontwikkelingen verkennen.
7.2 Macro-economische cijfers
Bruto binnenlands product (bbp) = de som van alle toegevoegde waarden van
goederen en diensten in Nederland die tot de productie worden gerekend.
- Het gaat om een gemiddeld cijfer. In werkelijkheid is er meestal sprake van
een ongelijke verdeling.
- Een deel van de productie vindt plaats in de informele economie. Deze
productie wordt dus niet meegeteld in de officiële statistieken.
- Het is een in dollars gemeten cijfer. De koopkracht van een dollar verschilt
per land.
De levensstandaard van landen wordt steeds vaker vergeleken met behulp van
de Human Development Index (HDI). Deze is door het United Nations
Development Programme (UNDP) ontwikkelt en is een maatstaf om de
vooruitgang van samenlevingen te meten. Deze bevat het bbp per inwoner, de
levensverwachting, de alfabetiseringsgraad en het bereikte onderwijsniveau.
7.3 Formele en informele economie
Er verschijnt jaarlijks een samenvatting van de belangrijkste cijfers van het CBS
in het Statistisch Jaarboek. De cijfers over de nationale productie zijn te vinden in
de Nationale Rekeningen. Het CBS neemt alleen statistieken op van transacties
die leiden tot inkomensvorming. Doe-het-zelfactiviteiten, werk in de huishouding
en vrijwilligerswerk worden dus niet in de cijfers meegenomen.
In veel ontwikkelingslanden is sprake van ruil in natura. Ook deze vorm van
betalen wordt niet meegenomen in de statistieken. In zulke landen zijn er dus
weinig geldtransacties, omdat de meeste producten geruild worden.
7.4 Het nationaal inkomen
Om na te gaan hoeveel in een land wordt geproduceerd, kun je niet zomaar de
waarde van de productie van alle bedrijven en de overheid bij elkaar optellen. Je
zou namelijk allerlei activiteiten dubbel tellen. Bij het meten van de productie
wordt dus alleen de toegevoegde waarden opgeteld.
De toegevoegde waarde van de overheid wordt gelijk gesteld aan de lonen en
salarissen van het overheidspersoneel, plus de afschrijvingen.
De optelling van de toegevoegde waarden van bedrijven en overheid geeft het
bruto binnenlands product (bbp).
In de loop van de tijd slijten vaste kapitaalgoederen:
Technische slijtage → machines en onderdelen raken op.
Economische slijtage → machines zijn verouderd, er zijn inmiddels betere
ontwikkeld.
Het waardeverlies door slijtage wordt in de boekhouding omschreven als
afschrijving.