Wat is Maatschappijleer?
1. Maatschappelijke vraagstukken
Spanningen tussen het belang van het individu en van het collectief (volk, staat enz)→
ontstaan situaties waarin visies en belangen van groepen botsen en daarom vragen om een
gemeenschappelijke oplossing → deze situaties die ontstaan en de zoektocht naar een
oplossing, noemen we maatschappelijke vraagstukken → om botsingen te voorkomen /
beperken wordt er een compromis gesloten (een overeenkomst waarbij alle partijen iets
toegeven)
Waarden: Uitgangspunten of principes die mensen belangrijk vinden in hun leven en die ze
daarom willen nastreven. → waarde die bijna iedereen belangrijk vindt ; eerlijkheid. →
Andere waarden horen typisch bij bepaalde groepen en politieke of levensbeschouwing
visies
Normen: Opvattingen over hoe je je op grond van bepaalde waarde behoort te gedragen. →
uit de waarde eerlijkheid volgt bijv. de norm dat je niet steelt, en ook van andere verwacht
dat ze niet stelen.
Idealen: Zaken die je graag zou willen bereiken in je leven
We spreken van een maatschappelijk vraagstuk als:
1. Grote groepen in de samenleving de gevolgen ervan ondervinden;
Maatschappelijke vraagstukken raken veel mensen in de samenleving en kunnen
niet alleen teruggebracht worden tot een individuele verantwoordelijkheid ( Jij maakt
je studie niet af → eigen probleem. Veel jongeren kunnen hun studie niet afronden
vanwege te hoge studiekosten → maatschappelijk vraagstuk ) → “ gaan over
problemen op macroniveau, de gevolgen zijn echter op microniveau merkbaar
2. Tegengestelde belangen meespelen;
Er moeten verschillende visies bestaan op de problemen en oplossingen van het
vraagstuk → dat komt doordat er tegengestelde belangen (: voor- of nadelen die
iemand ergens bij heeft) zijn. Belangentegenstellingen kunnen ontstaan door
levensovertuiging of sociaaleconomische positie (bv. werkgever / werknemer).
Belangentegenstelling als individu → Dilemma: een lastige keuze uit twee of meer
alternatieven die allemaal duidelijke nadelen hebben (bv. als automobilist erger je je
aan files, maar je bent tegen aanleg van nog meer autowegen omdat je zvm natuur
wilt behouden)
3. Een gemeenschappelijk oplossing nodig is;
In nederland hebben wij de afweging van de belangen bij een maatschappelijk
vraagstuk in de handen van politici gelegd → Het oplossen van een maatschappelijk
vraagstuk brengt vaak nieuwe regels en wetten met zich mee.
, Sommige ontwikkelingen hebben onvoorziene gevolgen ( → file probleem is gevolg van
toegenomen welvaart, vergrijzing is gevolg van medische vooruitgang ) Samenlevingen
veranderen voortdurend. Maatschappelijke vraagstukken worden opgelost volgens de
normen, waarden en belangen op het moment dat ze tot uiting komen → dynamiek van de
samenleving: het constant veranderen van normen, waarden en belangen.
→ Deze is afhankelijk van;
● de plaats; India heeft kastenstelsel, NL niet → indischen ervaren deze ongelijkheid
als een normale situatie, Nederlanders niet.
● de tijd; vroeger zondagswet, iedereen nam rust en ging bv. naar de kerk,
tegenwoordig is het normaal om op zondag te gaan shoppen.
● de groep; Rechts-radicale jongeren zien de pluriforme samenleving als een
probleem, internationaal georiënteerde jongeren zien die als een verrijking voor
Nederland
4 thema’s van Maatschappijleer;
1. Rechtsstaat
“hoe zorgt de rechtsstaat voor rechtvaardigheid?”
2. Parlementaire democratie
“Wat betekent het om in een democratie te leven?”
3. Pluriforme samenleving
“hoe gaan we met alle verschillen in de samenleving om?”
4. Verzorgingsstaat
“in welke situaties moeten mensen hun problemen zelf oplossen en wanneer moet
de overheid helpen?”
Macht: het vermogen om het gedrag van anderen dwingend te beïnvloeden → Macht die
niet geaccepteerd is noemen we gezag (: ouders hebben gezag over hun kinderen en
docenten over hun leerlingen ). Formele macht: is in regels en wetten vastgelegd (: macht
van directie op een school / burgemeester om een voetbalwedstrijd te verbieden ). Informele
macht: als mensen elkaar beïnvloeden zonder formeel systeem van regels en sancties ( bv.
binnen een vriendengroep ). De manier waarop iemand het gedrag van anderen kan
beïnvloeden, heeft te maken met welke machtsbronnen hij tot zijn beschikking heeft ( bv.
kennis, geld, functie, geweld, leeftijd etc.)
Sociale ongelijkheid: een ongelijke verdeling van maatschappelijke kansen, inkomen en
politieke macht → drie terreinen die grote verschillen laten zien:
1. Maatschappelijke kansen: ouderen, mensen met een migratieachtergrond en
mensen met een beperking vinden minder makkelijk een baan // kinderen met
laagopgeleide ouders krijgen lager schooladvies dan kinderen met hoogopgeleide
ouders, ondanks dezelfde cito-score.
2. Financiële middelen: spreek voor zichzelf.
3. Politieke macht: wie lid is van een politieke partij, of iemand in de politiek kent, kan
meer invloed uitoefenen op anderen.
1. Maatschappelijke vraagstukken
Spanningen tussen het belang van het individu en van het collectief (volk, staat enz)→
ontstaan situaties waarin visies en belangen van groepen botsen en daarom vragen om een
gemeenschappelijke oplossing → deze situaties die ontstaan en de zoektocht naar een
oplossing, noemen we maatschappelijke vraagstukken → om botsingen te voorkomen /
beperken wordt er een compromis gesloten (een overeenkomst waarbij alle partijen iets
toegeven)
Waarden: Uitgangspunten of principes die mensen belangrijk vinden in hun leven en die ze
daarom willen nastreven. → waarde die bijna iedereen belangrijk vindt ; eerlijkheid. →
Andere waarden horen typisch bij bepaalde groepen en politieke of levensbeschouwing
visies
Normen: Opvattingen over hoe je je op grond van bepaalde waarde behoort te gedragen. →
uit de waarde eerlijkheid volgt bijv. de norm dat je niet steelt, en ook van andere verwacht
dat ze niet stelen.
Idealen: Zaken die je graag zou willen bereiken in je leven
We spreken van een maatschappelijk vraagstuk als:
1. Grote groepen in de samenleving de gevolgen ervan ondervinden;
Maatschappelijke vraagstukken raken veel mensen in de samenleving en kunnen
niet alleen teruggebracht worden tot een individuele verantwoordelijkheid ( Jij maakt
je studie niet af → eigen probleem. Veel jongeren kunnen hun studie niet afronden
vanwege te hoge studiekosten → maatschappelijk vraagstuk ) → “ gaan over
problemen op macroniveau, de gevolgen zijn echter op microniveau merkbaar
2. Tegengestelde belangen meespelen;
Er moeten verschillende visies bestaan op de problemen en oplossingen van het
vraagstuk → dat komt doordat er tegengestelde belangen (: voor- of nadelen die
iemand ergens bij heeft) zijn. Belangentegenstellingen kunnen ontstaan door
levensovertuiging of sociaaleconomische positie (bv. werkgever / werknemer).
Belangentegenstelling als individu → Dilemma: een lastige keuze uit twee of meer
alternatieven die allemaal duidelijke nadelen hebben (bv. als automobilist erger je je
aan files, maar je bent tegen aanleg van nog meer autowegen omdat je zvm natuur
wilt behouden)
3. Een gemeenschappelijk oplossing nodig is;
In nederland hebben wij de afweging van de belangen bij een maatschappelijk
vraagstuk in de handen van politici gelegd → Het oplossen van een maatschappelijk
vraagstuk brengt vaak nieuwe regels en wetten met zich mee.
, Sommige ontwikkelingen hebben onvoorziene gevolgen ( → file probleem is gevolg van
toegenomen welvaart, vergrijzing is gevolg van medische vooruitgang ) Samenlevingen
veranderen voortdurend. Maatschappelijke vraagstukken worden opgelost volgens de
normen, waarden en belangen op het moment dat ze tot uiting komen → dynamiek van de
samenleving: het constant veranderen van normen, waarden en belangen.
→ Deze is afhankelijk van;
● de plaats; India heeft kastenstelsel, NL niet → indischen ervaren deze ongelijkheid
als een normale situatie, Nederlanders niet.
● de tijd; vroeger zondagswet, iedereen nam rust en ging bv. naar de kerk,
tegenwoordig is het normaal om op zondag te gaan shoppen.
● de groep; Rechts-radicale jongeren zien de pluriforme samenleving als een
probleem, internationaal georiënteerde jongeren zien die als een verrijking voor
Nederland
4 thema’s van Maatschappijleer;
1. Rechtsstaat
“hoe zorgt de rechtsstaat voor rechtvaardigheid?”
2. Parlementaire democratie
“Wat betekent het om in een democratie te leven?”
3. Pluriforme samenleving
“hoe gaan we met alle verschillen in de samenleving om?”
4. Verzorgingsstaat
“in welke situaties moeten mensen hun problemen zelf oplossen en wanneer moet
de overheid helpen?”
Macht: het vermogen om het gedrag van anderen dwingend te beïnvloeden → Macht die
niet geaccepteerd is noemen we gezag (: ouders hebben gezag over hun kinderen en
docenten over hun leerlingen ). Formele macht: is in regels en wetten vastgelegd (: macht
van directie op een school / burgemeester om een voetbalwedstrijd te verbieden ). Informele
macht: als mensen elkaar beïnvloeden zonder formeel systeem van regels en sancties ( bv.
binnen een vriendengroep ). De manier waarop iemand het gedrag van anderen kan
beïnvloeden, heeft te maken met welke machtsbronnen hij tot zijn beschikking heeft ( bv.
kennis, geld, functie, geweld, leeftijd etc.)
Sociale ongelijkheid: een ongelijke verdeling van maatschappelijke kansen, inkomen en
politieke macht → drie terreinen die grote verschillen laten zien:
1. Maatschappelijke kansen: ouderen, mensen met een migratieachtergrond en
mensen met een beperking vinden minder makkelijk een baan // kinderen met
laagopgeleide ouders krijgen lager schooladvies dan kinderen met hoogopgeleide
ouders, ondanks dezelfde cito-score.
2. Financiële middelen: spreek voor zichzelf.
3. Politieke macht: wie lid is van een politieke partij, of iemand in de politiek kent, kan
meer invloed uitoefenen op anderen.