Woorden moeten op een speciale manier opgebouwd zijn (morfologie) om
met elkaar gecombineerd te kunnen worden (syntaxis). (van rood trui
maak je rode trui)
Alle talen bestaan uit kleine elementen. Uit die kleine elementen worden
grotere eenheden, woorden of gebaren opgebouwd. Deze worden
gecombineerd om binnen te vormen.
●Alle gesproken talen hebben klinkers en medeklinkers
●In alle talen kunnen taalgebruikers een ontkennende bewering
uitdrukken, vragen stellen, bevelen geven
●Alle talen hebben manieren om complexe zinnen te maken
●In alle talen is het zo dat in zinnen vergelijkbaar met de zin Thomas
maakte zich belachelijk het woordje zich naar Thomas, en niet iets anders
verwijst
●Alle talen hebben woorden voor zwart en wit of donker en licht
Deze eigenschappen, die door alle talen worden gedeeld, worden wel
universalia genoemd.
In het Nederlands ontlenen wij vaak woorden uit een andere taal en
passen het woord vervolgens aan het Nederlands aan. Dat noemen we
ontlening.
Nieuwe fenomenen zijn bv. mobieltje, sms’je, msn’en.
Het komt vaker voor dat bestaande woorden met elkaar gecombineerd
worden en dat het resultaat daarvan gebruikt wordt als naam voor een
nieuw fenomeen. Het bestaande woord ‘sms’ en het bestaande woord
‘bundel’, vormen samen het nieuwe woord ‘sms-bundel’.