Elektrocoagulatie .................................................................................................................................... 2
Cryotherapie ......................................................................................................................................... 10
Naevi overzicht ..................................................................................................................................... 17
Farmacologie......................................................................................................................................... 28
Benigne tumoren .................................................................................................................................. 35
Emmy van de Burgt........................................................................................................................... 35
Johan Toonstra.................................................................................................................................. 41
Microneedling ....................................................................................................................................... 50
Cosmeceuticals 1 .................................................................................................................................. 63
Premaligne huidaandoeningen ............................................................................................................ 69
Psychosomatiek .................................................................................................................................... 76
Psychodermatologie ............................................................................................................................. 79
Zelfstudie jeuk....................................................................................................................................... 85
Omgaan met jeuk – UMC ..................................................................................................................... 88
Maligne tumoren .................................................................................................................................. 93
Fagron – indifferente middelen ......................................................................................................... 103
Wetgeving ........................................................................................................................................... 110
Dermatoscopie .................................................................................................................................... 111
Voeding ............................................................................................................................................... 118
Cosmeceuticals 2 ................................................................................................................................ 123
Para neoplastische huidverschijnselen .............................................................................................. 130
Kanker en huid deel 1 & 2 .............................................................................................................. 130
Huidafwijkingen door radiotherapie.............................................................................................. 138
Nederlandse Cosmetica Vereniging ................................................................................................... 141
Auto-immuunziekten .......................................................................................................................... 153
Histiocytaire aandoeningen ............................................................................................................... 166
Cosmeceuticals 3 ................................................................................................................................ 170
Fotodermatosen ................................................................................................................................. 177
1
,Elektrocoagulatie
• Electrocoagulatie:
- Elektro coagulatie therapie is een naam voor diverse technieken waarbij met elektrische
stroom de huid wordt weggebrand of vaten worden dichtgeschroeid. De naam is afgeleid
van coagulare wat in het Latijns stollen is
• Begrip namen:
- Electro-cauterisatie -> branden met elektrisch verhit metaal (Grieks: brandijzer):
o Geen stroom door patiënt
o Uitstekend alternatief van elektro-coagulatie wanneer hemostase vereist is bij
patiënten met een geïmplanteerde pacemakers of defibrillatoren
- Electro-dessicatie/fulguratie -> hoogfrequente wisselstroom (Latijns: drogen en
bliksem):
o Veroorzaakt oppervlakkige weefselschade
o Vonken tussen huid en electrode als deze vlak boven de huid wordt gehouden
- Electro-coagulatie -> hoogfrequente wisselstroom (Latijns: stollen):
o Stroom door patiënt
o Kan diepere weefsel schade veroorzaken
- Electro-tomie -> snijden
• Weefselreactie:
- Vanaf 40-44 °C start de necrose (weefselsterfte). Tot 49 °C is de weefselschade
reversibel, mits het weefsel niet te lang is blootgesteld. Bij temperaturen hierboven is de
weefselschade irreversibel
- Tussen 50-80 °C treedt coagulatie op. Door de warmte wordt het collageen in de cellen
omgezet in glucose. De cellen versmelten en verkleven. Op bloedvaten heeft dit een
bloedstelpend effect. Het geeft hemostase, dit heet ook wel het hemostatisch effect
- Tussen de 80-100 °C verdampt de vloeistof geleidelijk. De vloeistof door de celmembraan
heen. Het weefsel droogt uit, maar het membraan blijft intact. Dit heet dessicatie
- Boven de 150 °C zal het weefsel meteen gaan verkolen: carbonisatie
2
,• Contact of -loos:
• Warmte afgifte:
- Contacttijd/snelheid:
o Hoe langer de contacttijd, hoe dieper de warmte kan doordringen, hoe meer
coagulatie
o Snel werken geeft oppervlakkige coagulatie met kans op nabloeden
- Weefselweerstand:
o Goed doorbloed weefsel absorbeert de warmte beter
o In weefsel met weinig vocht kan de energie minder goed worden afgevoerd met
als gevolg verbranding en carbonisatie
o Hoe droger het weefsel, des te groter de vonken. Er is dan minder energie nodig!
- Vermogen:
o Een oppervlakkige behandeling heeft minder energie nodig dan een diepe
- Elektrode oppervlak:
o Een elektrode met een groot oppervlak zal eerder coaguleren en een elektrode
met een dun oppervlak zal eerder snijden
• Indicaties:
- Couperose:
- Milea/milium/gerstekorrels:
- Comedonen:
3
, - Hidrocystoom:
- Lentigo simplex:
- Lentigo solaris (senilis):
- Rosacea:
- Syringoom:
- Verruca seborrhoica:
- Verruca vulgaris:
- Verruca plana:
4