Economie houdt zich bezig met hoe de mens streeft naar welvaart. Een vraag hierbij kan
zijn: ‘Hoe kan de voorziening in goederen & diensten zo optimaal mogelijk geschieden,
met een zo gering mogelijke opoffering van middelen?’
● Algemene economie: bestudering relatie producent-consument &
producent-producent. Onderscheid in:
- Micro-economie
- Macro-economie
● Bedrijfseconomie: richt zich op economisch handelen binnen
productieorganisaties. Productie is hier: fysieke goederen en verlenende diensten.
Onderneming is een productieorganisatie. Productieorganisatie bevat productiemiddelen,
verkregen op inkoopmarkt, die in productieproces omgezet worden in producten, die
verkocht worden op verkoopmarkt. Onder productiemiddelen vallen de productiefactoren:
kapitaal (grondstoffen & duurzame productiemiddelen) en arbeid.
Daarnaast streeft een organisatie naar winst. Ze streven naar waardecreatie: de
inkoopprijs van de productiefactoren zal meer dan gedekt worden door de verkoop van
de producten. Hoe hoog de winst is hangt af van:
- Efficiency: doelmatigheid, een hoeveelheid moet met zo min mogelijk
kosten geproduceerd worden. Heeft te maken met de kostprijs.
- Effectiviteit: doelgerichtheid, het eindproduct moet in trek bij de klanten
zijn. Heeft te maken met de verkoopopbrengst.
De winst is het doel, de activiteiten zijn het middel. Enkele kanttekeningen:
- Continuïteit van onderneming is ook belangrijk uitgangspunt. Hiervoor is
een winststreven op lange termijn nodig.
- Mission statement: ondernemingen geven aan welke doelen ze zichzelf
stellen. Winststreven komt niet snel naar voren maar zorg voor milieu ect. wel.
Goede sier is dit voor de buitenwacht.
- Vaak lijkt het streven naar een zo groot mogelijke omzet belangrijker dan
de winst.
Non-profitorganisaties:
- Overheidssector: het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. Ze
leveren collectieve goederen en diensten (voorzieningen). Deze kunnen niet
voortgebracht worden door ondernemingen, het verstek ligt bij het
marktmechanisme: zij kunnen niet voor zichzelf een stukje bescherming tegen
hoog water kopen. Daarom is hier sprake van budgetmechanisme; er wordt een
budget vrijgesteld om deze voorzieningen te financieren.
- Particuliere non-profitorganisaties: amateursportverenigingen,
fondsenwervende instellingen zoals het Rode Kruis.
Verschil non-profit met ondernemingen:
- Non-profit doel; voorziening tot stand brengen. De activiteiten die verricht
worden, worden vanuit het doel gedaan en anders niet.
- Non-profitorganisaties zijn economisch niet zelfstandig, maar afhankelijk
van ‘bijdragen om niet’ (subsidies, donaties ect).
- Non-profitorganisaties hebben geen/geringe winstcijfers waardoor de
effectiviteit moeilijk vast te stellen is. Effectiviteit kan hier in kaart gebracht
worden door bv een enquête of door een kostprijs te bereken.
Inkomstenbelasting: eenmanszaak, vof, ovr (openbare vennootschap mét rechtspersoon),
niet-openbare vennootschap
, Behaalde winst
Af: Zelfstandigen aftrek (tabel)
Winst na aftrek zelfstandigenaftrek
Af: Winstvrijstelling (12%)
Belastbare winst
berekenen volgens box 1
Belastingbedrag
Af: Heffingskorting
Daadwerkelijk te betalen belasting.
Eenmanszaak en personenvennoten hebben geen publicatieplicht van financiële
gegevens. Ze hebben wel een boekhoudverplichting, de administratie moet bijgehouden
worden. De bv en nv hebben wel een publicatieplicht in het handelsregister, en een
boekhoudverplichting.
Een aandeelhouder moet ook inkomstenbelasting betalen. Bezit hij ten minste 5% van
het aandelenkapitaal, dan wordt hij belast met box 2 (25%) voor het uitgekeerde
dividend en voor de winst die hij behaalt heeft met de verkoop van zijn aandelen.
Bezit hij minder dan 5% van de aandelen, wordt hij met box 3 belast. Box 3 gaat ervan
uit dat er altijd inkomen gehaald wordt uit de aandelen die gelijk zijn aan 4% van de
waarde van de aandelen. Het inkomen wordt dan belast tegen 30%.
Éen aandeelhouder bij bv: directeur-grootaandeelhouder (DGA). Zijn salaris is aftrekbaar
voor de vennootschapsbelasting, maar hij moet hier wel inkomstenbelasting (box 1) over
betalen.
Verschil nv en bv:
- Bv kent aandelen op naam, nv kan het ook op toonder. Zij kunnen
makkelijk van eigenaar wisselen
- In de statuten van bv kan een blokkeringsclausule opgenomen worden, die
beperkingen oplegt aan aandeelhouders bij de verkoop van aandelen. Bij nv is
overdraagbaarheid onbeperkt.
- Minimum beginkapitaal nv: 45.000. Bv geen (eerder wet 18.000)
De aard van zakendoen bij een coöperatie:
- Productiecoöperatie: de leden zijn de leveranciers van grondstoffen voor
productieproces (boer - melk)
- Inkoopcoöperatie: de leden nemen de producten van de coöperatie af
- Coöperatieve bank: de leden lenen geld aan en van de bank
Bij de verkoop van verzekeringen aan leden wordt de verzekeraar een onderlinge
waarborgmaatschappij genoemd.
Bij een coöperatie hebben de lenen de macht, wordt de dagelijkse gang van zaken
verzorgt door bestuur en is er een raad van toezicht aanwezig. Je vindt coöperaties
vooral in agrarische en financiële sector.
Ledencertificaten = soort langlopende lening.
Coöperatie heeft 3 vormen van schulden:
- Wettelijke aansprakelijkheid (WA): leden aansprakelijk voor schulden
coöperatie
- Uitgesloten aansprakelijkheid (UA): leden kunnen niet verplicht worden om
schulden te betalen