Samenvatting hoofdstuk 4 Vrijetijdsgedrag: vraag, aanbod en beleid:
De vraag wordt vormgegeven door voorkeur, middelen en beperkingen, aanbod.
Omgevingsfactoren zijn een aantal factoren die volledig buiten menselijke invloeden vallen:
- Geografische, fysiologische: alle natuurlijke omgevingskenmerken die ons gedrag
beïnvloeden VB. naar het strand gaan alleen als het goed weer is.
- Tijdruimtelijke beperkingen en infrastructuur: de verhouding tussen de benodigde tijd en
afgelegde afstand. De mogelijkheden zijn echter wel groter dan in 19 e eeuw. VB. middagje
shoppen vanuit hier in New York is onmogelijk.
- Toevalligheden: is moeilijk af te bakenen of te omschrijven. VB. iedereen komt weleens
iemand toevallig tegen en gaat een gesprekje aan.
Door het model van factoren van onze vrijetijdsgedrag (figuur 4.2) hebben we niet de volledige
keuzevrijheid die we zelf denken te hebben. Dat komt door:
Persoonlijke voorkeur komt deels ook uit je sociale omgeving (subcultuur)
Ieder persoon heeft te maken met middelen en beperkingen (omgevingsfactoren, wel/niet
bezitten van ‘kapitalen’)
‘kapitaal’: alles van waarde dat een individu zich eigen kan maken om daarmee zijn rol
binnen de sociale structuur te versterken. (im)materieel bezit waarmee men zich van
anderen kan onderscheiden.
3 verschillende soorten van de middelen en beperkingen:
o Economisch kapitaal: alles wat je eigendom is. Financiële middelen+bezittingen
zijn direct omzetbaar in geld.
o Cultureel kapitaal: individuele kennis. Is niet tastbaar en niet om te zetten in geld.
Het hangt af van de hoogte van je opleiding.
o Sociaal kapitaal: geheel van sociale relaties. Is ook niet tastbaar en niet om te zetten
in geld. VB. hoe groter je netwerk (inclusief vriendengroep) hoe groter je sociaal
kapitaal.
o Fysiek kapitaal: lichamelijke bezittingen: levensfase, lichamelijke conditie, sekse,
lichaamsbouw, intelligentie, emotie.
Men denkt vaak dat er eerst een behoefte (vraag) is waaruit iets wordt aangeboden (aanbod).
Volgens Knulst is dit niet zo: ‘een voorkeur bij de meeste vrijetijdsbestedingen is gefixeerd door een
aanbod van verzieningen.’
Latente vraag: een bepaalde behoefte die wel aanwezig is, maar waar die consument zich niet van
bewust is. VB. internet
Manifeste vraag: een bepaalde behoefte die wel bewust ervaren wordt. VB. als je honger hebt en je
gaat naar de supermarkt om eten te kopen.
Marktwerking = evenwicht in vraag en aanbod overheid moet ingrijpen anders worden de rijken
nog rijker etc. Dit door middel van 3 belangrijke functies:
1. Allocatiefunctie: toewijzen/ingrijpen. Beïnvloedt het aanbod van producten of diensten. VB.
maatregel invoeren die autorijden onaantrekkelijker maakt.
De vraag wordt vormgegeven door voorkeur, middelen en beperkingen, aanbod.
Omgevingsfactoren zijn een aantal factoren die volledig buiten menselijke invloeden vallen:
- Geografische, fysiologische: alle natuurlijke omgevingskenmerken die ons gedrag
beïnvloeden VB. naar het strand gaan alleen als het goed weer is.
- Tijdruimtelijke beperkingen en infrastructuur: de verhouding tussen de benodigde tijd en
afgelegde afstand. De mogelijkheden zijn echter wel groter dan in 19 e eeuw. VB. middagje
shoppen vanuit hier in New York is onmogelijk.
- Toevalligheden: is moeilijk af te bakenen of te omschrijven. VB. iedereen komt weleens
iemand toevallig tegen en gaat een gesprekje aan.
Door het model van factoren van onze vrijetijdsgedrag (figuur 4.2) hebben we niet de volledige
keuzevrijheid die we zelf denken te hebben. Dat komt door:
Persoonlijke voorkeur komt deels ook uit je sociale omgeving (subcultuur)
Ieder persoon heeft te maken met middelen en beperkingen (omgevingsfactoren, wel/niet
bezitten van ‘kapitalen’)
‘kapitaal’: alles van waarde dat een individu zich eigen kan maken om daarmee zijn rol
binnen de sociale structuur te versterken. (im)materieel bezit waarmee men zich van
anderen kan onderscheiden.
3 verschillende soorten van de middelen en beperkingen:
o Economisch kapitaal: alles wat je eigendom is. Financiële middelen+bezittingen
zijn direct omzetbaar in geld.
o Cultureel kapitaal: individuele kennis. Is niet tastbaar en niet om te zetten in geld.
Het hangt af van de hoogte van je opleiding.
o Sociaal kapitaal: geheel van sociale relaties. Is ook niet tastbaar en niet om te zetten
in geld. VB. hoe groter je netwerk (inclusief vriendengroep) hoe groter je sociaal
kapitaal.
o Fysiek kapitaal: lichamelijke bezittingen: levensfase, lichamelijke conditie, sekse,
lichaamsbouw, intelligentie, emotie.
Men denkt vaak dat er eerst een behoefte (vraag) is waaruit iets wordt aangeboden (aanbod).
Volgens Knulst is dit niet zo: ‘een voorkeur bij de meeste vrijetijdsbestedingen is gefixeerd door een
aanbod van verzieningen.’
Latente vraag: een bepaalde behoefte die wel aanwezig is, maar waar die consument zich niet van
bewust is. VB. internet
Manifeste vraag: een bepaalde behoefte die wel bewust ervaren wordt. VB. als je honger hebt en je
gaat naar de supermarkt om eten te kopen.
Marktwerking = evenwicht in vraag en aanbod overheid moet ingrijpen anders worden de rijken
nog rijker etc. Dit door middel van 3 belangrijke functies:
1. Allocatiefunctie: toewijzen/ingrijpen. Beïnvloedt het aanbod van producten of diensten. VB.
maatregel invoeren die autorijden onaantrekkelijker maakt.