Hoorcollege Productions Grit 26-09:
We werken projectmatig omdat de hele wereld zo snel verandert is efficiënter (processen wil je zo
goed en goedkoop mogelijk doen)
Een project is een tijdelijk, resultaatgericht, eenmalig samenwerkingsverband van personen met
diverse vaardigheden waarin gebruik wordt gemaakt van schaarse middelen en een opdracht wordt
uitgevoerd. (een doel moet worden bereikt)
Improvisatie: je begint gewoon en je kijkt waar het schip strandt. Vaag/nieuw
Planmatig: alles zo effectief mogelijk aanpassen doelen behalen zo snel mogelijk.
Routine: zo efficiënt mogelijk alles doen (zo weinig mogelijk geld/mensen een zo groot mogelijk
resultaat) duidelijk en bekend.
Projecteigenschappen:
- Eenmalig doel
- Moet worden opgestart
- Heeft een opdrachtgever
- Meestal multidisciplinair
- Tijdelijk d.w.z. startdatum en einddatum
- Eigen (vast) budget
- Eigen projectorganisatie
5 soorten projecten:
Technische (zichtbare), evenementen, commerciële (geld verdienen), sociale (verandering in gedrag
van mensen) en gemengde projecten.
1. Opstarten van een project (idee) budget krijgen, haalbaarheidsonderzoek.
Wat moet het idee verder opleveren? wat zijn de doelen, wat is af als het af is, concreet te
bereiken resultaten, afbakenen.
SMART formuleren & TGKIO formuleren.
2. Inrichten van een project wie is opdrachtgever, opdrachtnemer, projectleider? Welke
externe partijen? Wie wil ik in de projectgroep? Hoe organiseer ik mijn projectgroep? Wat
zijn de taken, wie gaat wat doen?
3. Maken van Plan van aanpak startsituatie, idee/concept, activiteitenplan, beheersplan,
risico analyse.
4. Managen van project tussenproducten bepalen om tot het product te komen. Video
opnemen, bewerken, controleren, verzenden, promoten.
Faseren (de inhoud van je project ga je opdelen in fasen zoals de uitvoeringsfase), beheersen
(tijdsplanning maken, geld hebben) en beslissen (elke fase sluit je af met een
keuze/beslispunten mijlpalen).
Horizontale grenzen: van wanneer tot wanneer vindt het plaats?
Verticale grenzen: alle wat-vragen.
Je beheerst het project door: plannen, uitvoeren, controleren, bijsturen. gaat over tijd,
geld, organisatie, kwaliteit, informatie, kwaliteit.
5. Opleveren van projectresultaat
6. Afsluiten project
We werken projectmatig omdat de hele wereld zo snel verandert is efficiënter (processen wil je zo
goed en goedkoop mogelijk doen)
Een project is een tijdelijk, resultaatgericht, eenmalig samenwerkingsverband van personen met
diverse vaardigheden waarin gebruik wordt gemaakt van schaarse middelen en een opdracht wordt
uitgevoerd. (een doel moet worden bereikt)
Improvisatie: je begint gewoon en je kijkt waar het schip strandt. Vaag/nieuw
Planmatig: alles zo effectief mogelijk aanpassen doelen behalen zo snel mogelijk.
Routine: zo efficiënt mogelijk alles doen (zo weinig mogelijk geld/mensen een zo groot mogelijk
resultaat) duidelijk en bekend.
Projecteigenschappen:
- Eenmalig doel
- Moet worden opgestart
- Heeft een opdrachtgever
- Meestal multidisciplinair
- Tijdelijk d.w.z. startdatum en einddatum
- Eigen (vast) budget
- Eigen projectorganisatie
5 soorten projecten:
Technische (zichtbare), evenementen, commerciële (geld verdienen), sociale (verandering in gedrag
van mensen) en gemengde projecten.
1. Opstarten van een project (idee) budget krijgen, haalbaarheidsonderzoek.
Wat moet het idee verder opleveren? wat zijn de doelen, wat is af als het af is, concreet te
bereiken resultaten, afbakenen.
SMART formuleren & TGKIO formuleren.
2. Inrichten van een project wie is opdrachtgever, opdrachtnemer, projectleider? Welke
externe partijen? Wie wil ik in de projectgroep? Hoe organiseer ik mijn projectgroep? Wat
zijn de taken, wie gaat wat doen?
3. Maken van Plan van aanpak startsituatie, idee/concept, activiteitenplan, beheersplan,
risico analyse.
4. Managen van project tussenproducten bepalen om tot het product te komen. Video
opnemen, bewerken, controleren, verzenden, promoten.
Faseren (de inhoud van je project ga je opdelen in fasen zoals de uitvoeringsfase), beheersen
(tijdsplanning maken, geld hebben) en beslissen (elke fase sluit je af met een
keuze/beslispunten mijlpalen).
Horizontale grenzen: van wanneer tot wanneer vindt het plaats?
Verticale grenzen: alle wat-vragen.
Je beheerst het project door: plannen, uitvoeren, controleren, bijsturen. gaat over tijd,
geld, organisatie, kwaliteit, informatie, kwaliteit.
5. Opleveren van projectresultaat
6. Afsluiten project