Week 1:
-Wat zijn biomoleculen:
>Moleculen die gemaakt worden door en voorkomen in biologische systemen
>Bijvoorbeeld een bacteriecel, dierlijke cel, plantencel
>Onderscheid:
*Koolhydraten, sachariden, suikers
*Eiwitten
*Lipiden (worden wel gevormd uit dehydratiereacties)
*Nucleïnezuren (DNA/RNA)
~
-Biomoleculen zijn een aaneenschakeling van monomeren:
>Dit is polymerisatie:
*Dehydratie-> van monomeren naar polymeren
*Hydrolyse-> van polymeren naar monomeren
-Koolhydraten:
>Monosacchariden: (CH2O)n
*Aldoses-> C=O aan de buitenkant
*Ketoses-> C=O aan de binnenkant
*Wateroplosbaar
>Ribose bevindt zich in het RNA (onderdeel van de nucleïnezuren)
>Cel heeft glucose nodig voor de cellulaire ademhaling en voor de opbouw
>Structuur:
*Lineaire presentatie
*Ringstructuur in waterige oplossing (meer stabiel)
*Polymeer van suikers
*Cellulose-> stevigheid-> B Glucose
*Zetmeel-> engergie-> a Glucose
*6e OH aan tegengestelde richting= Trans arrangement
>aan dezelfde kant= Sis Arrangement
>Polysacchariden:
*Zetmeel-> Planten
~Energievoorraad
*Glycogeen-> dieren
~Energievoorraad
*Chitine-> Celwand schimmels en exoskelet insecten
~Stevigheid
*Cellulose-> Celwand planten
Made by: Iris Gülcher
, ~Stevigheid
-Lipiden:
>Vetten / triglyceriden:
*Verzadigd (enkele binding) / onverzadigd (dubbele binding)
>Fosfolipiden
>Steroïden of sterolen
>Fosfaat + choline + 2 vetzuurstaarten is ook een vorm
>Functie:
*Energie (opslag)
*Hormonen en cholesterol (steroïden)
*Celmembranen (fosfolipiden)
>Hydrofobe staart, hydrofiele kop
>Lipiden zitten in plasmamembraan + Kernmembraan (bij alle organellen die omringt worden
door een membraan
>Eiwitten + cholesterol zitten ook in celmembraan
-Cholesterol:
>Maakt celmembraan vloeibaar en dynamisch
>Fosfolipiden met dubbele bindingen krijg je knikjes en is het heel vloeibaar
>Fosfolipiden met enkele binding erg vast en stroperig
>Temperatuur laag: voorkomt verharding
>Temperatuur hoog: beperkt vloeibaarheid
-Eiwitten:
>Polymeer van aminozuren (peptide):
*C atoom in het midden (chiraal atoom (vier verschillende bindingen))
>Een of meerdere polypeptiden, opgevouwen tot een functioneel molecuul (eiwit)
>Structuur:
*
*3D-structuur bepaald door aminozuren
*Structuur is bepalen voor de functie
*Pirmaire, secundaire, tertaire en quartenaire structuren
*Primaire structuur-> polypeptide (keten van aminozuren)
*Back bone-> keten van aminozuren die waterstofbruggen vormt
*Secundaire structuur-> alfa helix of beta sheet
*Tertaire structuur-> Secundaire structuur die in elkaar vouwen (zijn dan functioneel)
*Quartaire structuur-> Tertaire structuur die samen klonteren (zijn functioneel
>Functie:
*Transport
*Cel opbouw
*Antilichamen
>Backbone van een eiwit (het aan elkaar plakken):
*NCC-NCC-NCC
>Alpha-helix en Beta-sheet zijn voorbeelden van de secundaire structuur
Made by: Iris Gülcher