Inleiding recht
Week 1: Wat is recht?
- Het recht is een geheel van ordening. Professor Pitlo zegt dat het recht
ontstaat wanneer 2 mensen in contact met elkaar komen; Zonder samenleving
geen recht, zonder recht geen samenleving. Austin geeft een andere definitie:
het gaat om orders die worden gehandhaafd door een zekere mate van
dreiging, recht wordt opgevat als een beveel.
- Moraal is niet afdwingbaar en heeft een innerlijke houding. Innerlijke houding
is ook hoe je denkt.
- Recht is afdwingbaar en heeft een uiterlijke gedraging. Uiterlijke gedraging is
wat je doet.
- Rechtsrealisten zijn van mening dat recht hetgeen is wat de rechter ervan
maakt; De interactie tussen rechter en rechtszoekende.
- Onrechtmatige daad wordt meer als een onwetmatige daad gezien.
- Basisbegrippen:
o Ius positivum/ius constitutum = Het positief recht, geheel van het
recht dat door een staat is afgevaardigd.
o lus constituendum = Ideaal recht, recht zoals wij zouden willen dat
geldt, of zoals het zou moeten zijn, het ideale recht, natuurrecht.
o Positief recht:
Bevoegde instantie.
Volgens de vastgestelde procedure.
Met dwang wordt gehandhaafd.
o Natuurrecht:
Hoger recht: ongeschreven rechtsbeginselen.
Als toetssteen voor de geldigheid voor de wetten.
- Technische juridische basisbegrippen:
o Objectief recht: Geheel van geldende wetten die gelden in een land
o Subjectief recht: Individuele bevoegdheden die een mens heeft.
o Formeel recht: Bepaalt hoe het materieel recht wordt gerealiseerd, het
omvat regels wat betreft de toepassing van materieel recht.
o Materieel recht: Zegt iets over gedraging van mensen, inhoudelijk
recht.
o Louter formeel: Bijv. goedkeuringswet van een verdrag
o Louter materieel: Bijv. goedkeuring van provinciewet in de gemeente.
o De wet in formele zin: Betreft een gezamenlijk besluit tussen de
Staten-Generaal en de regering. Hoogste vorm van wetgeving.
o De wet in materiële zin: De wetten die alle burgers kan binden, die
onder de wet vallen. Het geldt voor iedereen.
o Normatief: Normeren, het zou moeten gebeuren. De norm bepalen.
Wanneer je iets moet, het is verplicht.
o Niet-normatief: Sturen/normeren/reguleren niet, het zijn
kwalificatieregels of definitiebepalingen.
- Rechtsgebieden:
o Positief recht is in te delen in:
Publiekrecht:
, Verticale relatie tussen de overheid en burgers. Initiatief
tot handhaving ligt bij de overheid.
o Staats- en bestuursrecht
o Strafrecht
o Internationaal en Europees recht
o Belastingrecht
Privaatrecht:
Horizontale verbinding tussen burgers, handhaving ligt bij
de burgers zelf.
o Vermogensrecht
o Personen- en familierecht
- Rechtsbronnen zijn bronnen waar het recht uit voortvloeit. De rechtsbronnen:
o Wet
o Gewoonte
o Rechtspraak
o Verdrag
- Een thematische ordening van rechtsbronnen:
o Verschillende denkers, verschillende prioriteiten.
o Verschillende landen, verschillende prioriteiten.
o Verschillende tijden, verschillende prioriteiten.
- Een politieke orde moet een rechtsorde hebben.
- De statelijke ordening van de maatschappij via de wetten:
o Controle, onder controle krijgen hoe mensen leven.
o Preventie, acties van mensen voorkomen.
- Een aantal belangrijke trends gedurende de jaren:
o 19e eeuw: de wet en gewoonte (eeuw van bonificatie)
o 20e eeuw (begin): de rechter
o 20e eeuw (2de helft): het verdrag
- Hiërarchie in de wetgeving van hoog naar laag (hoog gaat voor laag):
1. Verdrag
2. Statuut
3. Grondwet
4. Wetten, gemaakt door de nationale wetgever
5. Wetten gemaakt door lagere overheden.
o Een hogere wet gaat voor een lagere wet (lex superior derogat legi
inferiori).
o Een latere wet gaat voor een eerdere (lex posterior derogat legi priori).
o Een bijzondere wet gaat voor een algemene (lex specialis derogat legi
generali).
Let op Art. 120 GW niet.
- De wet modaliteiten
o Verlof = iets mogen.
o Verbod = iets niet mogen.
o Gebod = iets moeten.
Week 1: Wat is recht?
- Het recht is een geheel van ordening. Professor Pitlo zegt dat het recht
ontstaat wanneer 2 mensen in contact met elkaar komen; Zonder samenleving
geen recht, zonder recht geen samenleving. Austin geeft een andere definitie:
het gaat om orders die worden gehandhaafd door een zekere mate van
dreiging, recht wordt opgevat als een beveel.
- Moraal is niet afdwingbaar en heeft een innerlijke houding. Innerlijke houding
is ook hoe je denkt.
- Recht is afdwingbaar en heeft een uiterlijke gedraging. Uiterlijke gedraging is
wat je doet.
- Rechtsrealisten zijn van mening dat recht hetgeen is wat de rechter ervan
maakt; De interactie tussen rechter en rechtszoekende.
- Onrechtmatige daad wordt meer als een onwetmatige daad gezien.
- Basisbegrippen:
o Ius positivum/ius constitutum = Het positief recht, geheel van het
recht dat door een staat is afgevaardigd.
o lus constituendum = Ideaal recht, recht zoals wij zouden willen dat
geldt, of zoals het zou moeten zijn, het ideale recht, natuurrecht.
o Positief recht:
Bevoegde instantie.
Volgens de vastgestelde procedure.
Met dwang wordt gehandhaafd.
o Natuurrecht:
Hoger recht: ongeschreven rechtsbeginselen.
Als toetssteen voor de geldigheid voor de wetten.
- Technische juridische basisbegrippen:
o Objectief recht: Geheel van geldende wetten die gelden in een land
o Subjectief recht: Individuele bevoegdheden die een mens heeft.
o Formeel recht: Bepaalt hoe het materieel recht wordt gerealiseerd, het
omvat regels wat betreft de toepassing van materieel recht.
o Materieel recht: Zegt iets over gedraging van mensen, inhoudelijk
recht.
o Louter formeel: Bijv. goedkeuringswet van een verdrag
o Louter materieel: Bijv. goedkeuring van provinciewet in de gemeente.
o De wet in formele zin: Betreft een gezamenlijk besluit tussen de
Staten-Generaal en de regering. Hoogste vorm van wetgeving.
o De wet in materiële zin: De wetten die alle burgers kan binden, die
onder de wet vallen. Het geldt voor iedereen.
o Normatief: Normeren, het zou moeten gebeuren. De norm bepalen.
Wanneer je iets moet, het is verplicht.
o Niet-normatief: Sturen/normeren/reguleren niet, het zijn
kwalificatieregels of definitiebepalingen.
- Rechtsgebieden:
o Positief recht is in te delen in:
Publiekrecht:
, Verticale relatie tussen de overheid en burgers. Initiatief
tot handhaving ligt bij de overheid.
o Staats- en bestuursrecht
o Strafrecht
o Internationaal en Europees recht
o Belastingrecht
Privaatrecht:
Horizontale verbinding tussen burgers, handhaving ligt bij
de burgers zelf.
o Vermogensrecht
o Personen- en familierecht
- Rechtsbronnen zijn bronnen waar het recht uit voortvloeit. De rechtsbronnen:
o Wet
o Gewoonte
o Rechtspraak
o Verdrag
- Een thematische ordening van rechtsbronnen:
o Verschillende denkers, verschillende prioriteiten.
o Verschillende landen, verschillende prioriteiten.
o Verschillende tijden, verschillende prioriteiten.
- Een politieke orde moet een rechtsorde hebben.
- De statelijke ordening van de maatschappij via de wetten:
o Controle, onder controle krijgen hoe mensen leven.
o Preventie, acties van mensen voorkomen.
- Een aantal belangrijke trends gedurende de jaren:
o 19e eeuw: de wet en gewoonte (eeuw van bonificatie)
o 20e eeuw (begin): de rechter
o 20e eeuw (2de helft): het verdrag
- Hiërarchie in de wetgeving van hoog naar laag (hoog gaat voor laag):
1. Verdrag
2. Statuut
3. Grondwet
4. Wetten, gemaakt door de nationale wetgever
5. Wetten gemaakt door lagere overheden.
o Een hogere wet gaat voor een lagere wet (lex superior derogat legi
inferiori).
o Een latere wet gaat voor een eerdere (lex posterior derogat legi priori).
o Een bijzondere wet gaat voor een algemene (lex specialis derogat legi
generali).
Let op Art. 120 GW niet.
- De wet modaliteiten
o Verlof = iets mogen.
o Verbod = iets niet mogen.
o Gebod = iets moeten.