1. Wat zijn de biologische aspecten van seksualiteit? (mannen en vrouwen)
Geslachtshormonen en seksualiteit
Structuur en werking
De productie van geslachtshormonen vindt op verschillende plekken in het lichaam plaats.
De volwassen gonaden produceren geslachtshormonen, de testes produceert testosteron,
de ovaria produceert oestradiol, progesteron en testosteron. Ook de mannelijke en
vrouwelijke bijnierschors produceert geslachtshormonen. De gonaden worden aangezet
door het gonade stimulerende hormoon (= gonadotrofinen) LH en FSH die in de
hypofysevoorkwab worden gemaakt onder invloed van GnRH. Dit hormoon is afkomstig uit
speciale neurosecretoire cellen in de hypothalamus. Gonadotrofinen hebben een
eiwitstructuur en zijn dus opgebouwd uit aminozuren. Het merendeel van de
geslachtshormonen worden in het bloed gebonden en getransporteerd, sterk aan het eiwit
SHBG (sekshormoonbindend globuline) en losjes aan het eiwit albumine. Het niet gebonden
deel, de vrije fractie, kan binden aan de receptoren van de doelwitcellen en is dus actief.
Deze vrije fractie zorgt bijvoorbeeld voor de feedback.
Oestrogenen
Oestrogenen, zoals oestradiol-17B, worden geproduceerd in het ovarium en de
bijnierschors. De voornaamste rol van oestrogenen bij seksualiteit is het ontvankelijk maken
van het brein voor de invloed van testosteron. Daarnaast hebben oestrogenen invloed op
stemming en op uiterlijke kenmerken van seksuele aantrekkelijkheid. Seksuele responsen en
opwindingsgevoelens blijken echter niet oestrogeenafhankelijk te zijn.
Progestagenen
Progesteron wordt voornamelijk geproduceerd in het corpus luteum, dat in het ovarium
ontstaat uit het follikel, nadat ovulatie heeft plaatsgevonden. De secretie van progesteron
wordt gestimuleerd door LH en FSH, afkomstig uit de hypofyse.
Androgenen
Androgenen zijn op zich niet noodzakelijk voor het vermogen seksueel te kunnen
responderen, maar hebben wel invloed op seksueel verlangen, op de frequentie van
seksuele gedachten en fantasieën en op de frequentie van nachtelijke genitale responsen.
Androgenen verhogen vooral de gevoeligheid van het brein en de geslachtsdelen voor
centrale en perifere seksuele stimulatie.
,Seksuele responsen vinden plaats via verschillende wegen. De reactie op audiovisuele
seksuele stimulatie, de quick and dirty route, is niet androgeen afhankelijk, omdat hogere
hersencentra niet ingeschakeld worden. Seksuele opwinding die tot stand komt met
inschakeling van cognitieve processen is daarentegen wel androgeenafhankelijk, de neat and
slow route.
Testosteron (vooral geproduceerd in de testes) is bij mannen het voornaamste in het bloed
circulerende androgeen. In de doelwitcellen wordt testosteron omgezet in DHT of in
oestradiol. UITZOEKEN SOORTEN TESTOSTERON (GEBONDEN, VRIJ)
Regulatie van de productie
De in het bloed circulerende geslachtshormonen hebben een regulerende invloed op de
afgifte van GnRH. Bij hoge concentraties treedt een remming op (negatieve feedback), zodat
minder GnRH en dus minder gonadotrofinen vrijkomen, waardoor vervolgens de productie
van geslachtshormonen in de gonaden afneemt. Bij lage concentraties geslachtshormonen in
het bloed is er minder remming, er wordt meer GnRH en dus meer gonadotrofinen gevormd
en vervolgens produceren de gonaden meer geslachtshormonen.
Figuur 3: Er bestaat een negatieve feedbackrelatie tussen
hypothalamus, hypofysevoorkwab en gonaden (testes en
ovaria). Als reactie op bepaalde externe of endogene stimuli
geeft de hypothalamus GnRH af. Dit stimuleert de
hypofysevoorkwab tot afgifte van LH en FSH. LH en FSH
stimuleren in de gonaden de productie en afgifte van
geslachtshormonen (oestrogenen, progesteron en
androgenen). De geslachtshormonen werken in
doelwitweefsels, maar hebben ook negatieve feedback op
hypofysevoorkwab en hypothalamus. Tevens remmen de
toenemende LH- en FSH-concentratie de eigen secretie uit
hypofysevoorkwab en GnRH-productie in de hypothalamus.
Ook de hypothalamus reageert op toenemende
concentraties GnRH met een vermindering van de secretie.
De pil en seks
De anticonceptie pil kan zowel een positief als negatief effect hebben op seksueel verlangen,
maar netto wordt er meer negativiteit gerapporteerd. Pilgebruik kan secundair aan
negatieve effecten op stemming leiden tot afname van seksueel verlangen. Dit afgenomen
seksueel verlangen kan een weerspiegeling zijn van de afname in variabiliteit en hoogte van
spiegels biologisch beschikbaar testosteron. Ovariële suppressie door de pil resulteert in een
reductie van 30-50% van de totale androgeenproductie.
, Anders gezegd bestaat de pil uit oestrogenen. Als vrouwen deze oestrogenen innemen,
wordt de HPA-as verstoord, omdat er te veel van het GNRH hormoon in het lichaam komt.
Het lichaam zelf gaat hierdoor minder oestrogenen aanmaken, waardoor er geen eitjes
worden aangemaakt. De oestrogenen in de pil (van buitenaf toegediend) prikkelen niet de
juiste receptoren om een eicel aan te maken, waardoor vrouwen niet zwanger worden.
De overgang en seks
Oestrogeentekort bij vrouwen in en na de overgang wordt vaak verantwoordelijk gesteld
voor seksuele problematiek. Oestrogenen hebben echter waarschijnlijk alleen indirect effect
op seksualiteit door de relatie met stemming en met klachten als opvliegers en nachtelijke
onrust. Het enige wat oestrogeenafhankelijk is, is de vermindering in vaginale doorbloeding
en vochtigheid in een seksueel gestimuleerde situatie.
2. Welke invloed heeft levensloop op seksualiteit
Kinderen (0 tot 12 jaar)
Volgens Bancroft vindt seksuele ontwikkeling plaats op drie deelgebieden: de
genderidentiteit, de seksuele responsiviteit en het vermogen om intieme relaties aan te
gaan. Deze deelgebieden ontwikkelen zich onafhankelijkheid van elkaar gedurende de
kindertijd, pas daarna vindt integratie plaats.
Genderidentiteit
De ontwikkeling van genderidentiteit begint al in de baarmoeder door biologische factoren.
Na de geboorte wordt een kind behandeld naar zijn geslacht, wat ook bijdraagt aan
ontwikkeling van genderidentiteit. Vanaf het moment dat een kind beseft een jongen of
meisje te zijn, haat hij of zij zich (nog) meer conform de eigen genderrol gedragen.
Kennis
Vanaf het tweede levensjaar leren kinderen secundaire geslachtskenmerken te benoemen.
Vanaf 7 jaar wordt een seksuele functie aan de geslachtsorganen toegekend:
geslachtsgemeenschap is nodig voor het krijgen van kinderen. Andere redenen voor seks zijn
nog niet bekend, dit komt pas vanaf een jaar of 9. Vanaf 10 jaar wordt er meer over seks
gepraat en vanaf de puberteit vindt er voorlichting plaats (thuis en op school).
Gedrag en gevoelens
De meeste seksuele contacten tussen kinderen vinden niet onder druk of dwang plaats,
maar komen voort uit nieuwsgierigheid (geslachtsdelen aanraken, doktertje spelen, etc.).
Dit wordt vaak afgestraft door de ouders, terwijl dit heel normaal is. Vanaf een bepaalde
leeftijd leren kinderen dat het niet ‘gepast’ is om bepaalde handelingen in het openbaar te
doen, maar dat betekend niet dat ze er helemaal mee stoppen