Tijdvak 2 tijd van de Grieken en Romeinen
3000 v Chr. – 500 n Chr.
Kenmerkend aspect:
De ontwikkeling van het wetenschappelijk denken en het denken over
burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat
Het klassieke Griekenland was verdeeld in zelfstandige polissen.
Polis = stadstaat.
Maar wat is een stadstaat?
De stad had een eigen bestuur en omringend platteland. Een soort van klein mini
landje.
Verschillende soorten polissen:
Monarchie = een polis met 1 koning aan het hoofd
Aristocratie = een polis waar edelen de macht hadden
Tirannie = een polis waarin een alleen heersende alle macht naar zich had
toegetrokken
Democratie = de manier van regeren waarin het volk de baas is via
volksvertegenwoordigers. Dit gebeurt in de directe manier.
Athene = stadstaat met democratie vanaf 509 v Chr.
Vrouwen, slaven en niet Atheense mensen mochten niet stemmen, je moest een
burgerschap hebben.
Geloof in meerdere goden:
Als de mensen iets niet konden verklaren, gaven ze al snel de schuld aan de goden.
Ze deden dus aan mythisch denken.
Grieken gingen zoeken naar logische oorzaken van bijvoorbeeld de bliksem, ze
gingen de goden niet meer de schuld geven. Ze gingen wetenschappelijk denken.
Die mensen worden ook wel filosofen genoemd.
Kenmerkend aspect:
De klassieke vormtaal van de Grieks-romeinse cultuur
In de Griekse polissen waren bouwkunst, schilderkunst, architectuur en literatuur van
groot belang. De gebouwen waren erg sierlijk en vol van detail. De romeinen namen
heel veel over van deze bouwkunst. Dit was een grote invloed op de westerse
beschaving. Klassiek wil zeggen van blijvende waarde. Cultuur van de Grieken en de
Romeinen noemen we de klassieke cultuur.
3000 v Chr. – 500 n Chr.
Kenmerkend aspect:
De ontwikkeling van het wetenschappelijk denken en het denken over
burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat
Het klassieke Griekenland was verdeeld in zelfstandige polissen.
Polis = stadstaat.
Maar wat is een stadstaat?
De stad had een eigen bestuur en omringend platteland. Een soort van klein mini
landje.
Verschillende soorten polissen:
Monarchie = een polis met 1 koning aan het hoofd
Aristocratie = een polis waar edelen de macht hadden
Tirannie = een polis waarin een alleen heersende alle macht naar zich had
toegetrokken
Democratie = de manier van regeren waarin het volk de baas is via
volksvertegenwoordigers. Dit gebeurt in de directe manier.
Athene = stadstaat met democratie vanaf 509 v Chr.
Vrouwen, slaven en niet Atheense mensen mochten niet stemmen, je moest een
burgerschap hebben.
Geloof in meerdere goden:
Als de mensen iets niet konden verklaren, gaven ze al snel de schuld aan de goden.
Ze deden dus aan mythisch denken.
Grieken gingen zoeken naar logische oorzaken van bijvoorbeeld de bliksem, ze
gingen de goden niet meer de schuld geven. Ze gingen wetenschappelijk denken.
Die mensen worden ook wel filosofen genoemd.
Kenmerkend aspect:
De klassieke vormtaal van de Grieks-romeinse cultuur
In de Griekse polissen waren bouwkunst, schilderkunst, architectuur en literatuur van
groot belang. De gebouwen waren erg sierlijk en vol van detail. De romeinen namen
heel veel over van deze bouwkunst. Dit was een grote invloed op de westerse
beschaving. Klassiek wil zeggen van blijvende waarde. Cultuur van de Grieken en de
Romeinen noemen we de klassieke cultuur.