Geschiedenis tijdvak 4:
Steden en staten 1000-1500 na christus, (late middeleeuwen).
Kenmerkend aspect:
De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van
de agrarisch urbane cultuur
Ambacht = een baan waarbij je iets met je handen maakt, bv timmerman of smid.
Hoe ontstond er een opkomst van handel?
Er kwam meer veiligheid en toename voedselproductie door nieuwere technische
ploegen. Dus dit nam toe en daardoor ontstond er een bevolkingsgroei. Omdat er
een voedseloverschot was ontstond er weer ambacht en specialisatie. Het gevolg
daarvan leidt tot handel die weer toeneemt en daardoor ontstonden de steden weer.
Kwam meer veiligheid en daardoor kwam er een opkomst van handel en ambacht.
De voedselproductie steeg door ontginningen, inpolderingen en een 3 slagstelsel
i.p.v. 2 slagstelsel.
Belangrijkste handelsgebieden: Vlaamse steden, Hanzesteden, Noord Italiaanse
steden en jaarmarkten in Noord-Frankrijk.
2 soorten stelsels:
2 slagstelsel = 1 deel van het land voor verbouwen en 1 deel van het land braak.
3 slagstelsel = 2 delen van het land voor verbouwen en 1 deel van het land braak.
Particularisme = gaat tegen centralisatie en uniformering in, elk gebied heeft zijn
eigen privileges en wetgeving.
Kenmerkend aspect:
De opkomst van stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van
steden.
De steden werden steeds rijker en machtiger, deze steden lagen in handen van
hertogen. Naar mate een stad machtiger werd trok hij zich steeds minder aan van
zijn eigen heer. Dit komt omdat zon heer ook afhankelijk was van zon stad. Burgers
werden belangrijker in een stad en de zelfstandigheid van steden nam toe. Dit was
aantrekkelijk voor horige boeren:
- Geen pacht
- Geen herendiensten
- Veilig en officieel burger.
Gevolg dat de horige boeren na de steden gaan en dat er minder pacht is voor de
adel.
Maar de heer probeerde dit te voorkomen door minder herendiensten te eisen. De
adel is namelijk afhankelijk van de pacht en de boeren. Steden moesten belasting
gaan betalen aan een heer en daarvoor in plaats kregen de steden stadsrechten.
Daardoor was de stad ook zelfstandiger. Deze belasting ging via zowel producten als
geld.
Steden en staten 1000-1500 na christus, (late middeleeuwen).
Kenmerkend aspect:
De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van
de agrarisch urbane cultuur
Ambacht = een baan waarbij je iets met je handen maakt, bv timmerman of smid.
Hoe ontstond er een opkomst van handel?
Er kwam meer veiligheid en toename voedselproductie door nieuwere technische
ploegen. Dus dit nam toe en daardoor ontstond er een bevolkingsgroei. Omdat er
een voedseloverschot was ontstond er weer ambacht en specialisatie. Het gevolg
daarvan leidt tot handel die weer toeneemt en daardoor ontstonden de steden weer.
Kwam meer veiligheid en daardoor kwam er een opkomst van handel en ambacht.
De voedselproductie steeg door ontginningen, inpolderingen en een 3 slagstelsel
i.p.v. 2 slagstelsel.
Belangrijkste handelsgebieden: Vlaamse steden, Hanzesteden, Noord Italiaanse
steden en jaarmarkten in Noord-Frankrijk.
2 soorten stelsels:
2 slagstelsel = 1 deel van het land voor verbouwen en 1 deel van het land braak.
3 slagstelsel = 2 delen van het land voor verbouwen en 1 deel van het land braak.
Particularisme = gaat tegen centralisatie en uniformering in, elk gebied heeft zijn
eigen privileges en wetgeving.
Kenmerkend aspect:
De opkomst van stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van
steden.
De steden werden steeds rijker en machtiger, deze steden lagen in handen van
hertogen. Naar mate een stad machtiger werd trok hij zich steeds minder aan van
zijn eigen heer. Dit komt omdat zon heer ook afhankelijk was van zon stad. Burgers
werden belangrijker in een stad en de zelfstandigheid van steden nam toe. Dit was
aantrekkelijk voor horige boeren:
- Geen pacht
- Geen herendiensten
- Veilig en officieel burger.
Gevolg dat de horige boeren na de steden gaan en dat er minder pacht is voor de
adel.
Maar de heer probeerde dit te voorkomen door minder herendiensten te eisen. De
adel is namelijk afhankelijk van de pacht en de boeren. Steden moesten belasting
gaan betalen aan een heer en daarvoor in plaats kregen de steden stadsrechten.
Daardoor was de stad ook zelfstandiger. Deze belasting ging via zowel producten als
geld.