Bevat alle HC, WG, WC en PR
Deze samenvatting bevat voornamelijk afbeeldingen uit Gray’s Anatomy,
Medical Physiology en de hoorcolleges. Verdere afbeeldingen zijn ter
verduidelijking van de lesstof.
1
,Index
HC1………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 3-6
HC2………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 7-12
HC3………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 13-18
HC4………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 19-27
HC5………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 28-34
PR1……………………………………………………………………………………………….………………………………………p. 35-38
WG1………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 39-41
HC6………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 42-51
HC7………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 52-62
HC8………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 63-69
HC9………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 70-78
WG2………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 79-86
WG3………………………………………………………………………………………………………………………………………p. 87-92
PR2……………………………………………………………………………………………………………………………..…………p. 93-100
HC10……………………………………………………………………………………………………………………………………p. 101-108
HC11……………………………………………………………………………………………………………………………………p. 109-118
WC1……………………………………………………………………………………………………………………………………p. 119-123
WG4……………………………………………………………………………………………………………………………………p. 124-131
WG5……………………………………………………………………………………………………………………………………p. 132-138
2
,BLOK 1 Vorm en Functie
HC1 vorm en functie en anatomie
Inleiding anatomie
Door de loop van de evolutie is de vorm veranderd doordat de functie-eisen zijn veranderd.
Bijvoorbeeld vissen die op het land kwamen, hadden niks meer aan vinnen maar wel aan poten. Dit
kan ook bij een individu alleen gebeuren. Denk hierbij aan een body builder. De botten en spieren
zijn groter geworden en toegenomen doordat er veel kracht voor een langere periode is uitgeoefend
op het lichaam. Hoe sterker de spieren zijn, hoe sterker de botten ook moeten zijn. Spieren zijn met
pezen verbonden aan botten. De functie-eisen zijn verandert voor het lichaam waardoor de
morfologie is veranderd.
Nomenclatuur voorbeelden
Latijn Engels Nederlands
Clavicula Clavicle Sleutelbeen
Ductus pancreaticus Pancreatic duct Afvoerbuis van de pancreas
Arteria coronaria Coronary artery Kransslagader
Hepar Liver Lever
Ren Kidney Nier
Gaster Stomach Maag
Je kunt de anatomie op twee manieren bestuderen:
1. Systemische anatomie; menselijk lichaam wordt per systeem besproken, een aantal organen
die met elkaar een bepaalde functie uitoefenen, zoals de tractus digestivus (alle organen die te
maken hebben met de opname van voedingsstoffen), tractus circulatorius (hart- en vaatstelsel en
lymfestelsel).
2. Regionale anatomie; je kijkt steeds naar een regio bijvoorbeeld thorax, abdomen en pelvis
(bekken). In een regio vind je altijd meerdere systemen. De regionale anatomie is belangrijk voor
artsen, want een patiënt komt met klachten over bijvoorbeeld buikpijn, hierbij weet je niet meteen
welk systeem dit is.
We hanteren de klinische anatomie; dit betekent dat je je richt op wat je echt nodig hebt om goed te
kunnen functioneren als arts. Je bestudeert de anatomie die belangrijk is voor jou als arts.
Belangrijke afkortingen
Latijn Afkorting Nederlands
Arteria a. Slagader
Vena v. Ader
Nervus n. Zenuw
Musculus m. Spier
Vascularisatie = bloedvoorziening; de a. renalis vasculariseert de nier.
Innervatie = aansturing door een zenuw; de n. facialis innerveert de spieren van het gelaat.
3
, Topografische aanduidingen
Voor topografische aanduidingen is er een referentie nodig, dit is de anatomische positie. Hierbij
staat de persoon als volgt: rechtop staan, voeten naast elkaar, handpalmen naar voren, gezicht naar
voren.
Craniaal/caudaal Boven/onder Bijvoorbeeld: het hoofd
Cranium = schedel bevindt zich craniaal van
Cauda = staart de romp.
Ventraal/dorsaal Voor/achter Bijvoorbeeld: het hart
Venter = buik bevindt zich ventraal van
Dorsum = rug het ruggenmerg
Lichaamsholtes:
We hebben grofweg twee typen ruimten waarin de holtes zich bevinden
• Benige holte die goed beschermt en waar weinig tot geen beweging mogelijk is. Hersenen
en ruggenmerg bevinden zich in verbeende ruimten. Elementen van het centrale
zenuwstelsel liggen in benige omhullingen. Deze structuren hoeven niet te bewegen.
• Holtes waar wel beweging mogelijk is. Veel andere organen moeten wel goed kunnen
bewegen; dit vind je terug in de thorax, abdomen en pelvis. De naam van de thoraxholte is
cavitas thoracis en hierin zitten de longen en het hart. Het diafragma scheidt de borstholte
van de buikholte. De naam van de buikholte is cavitas abdominis en bevat heel veel organen.
Om de buikholte ligt een vetschort. Kenmerkend voor de buikholte is dat de organen kunnen
bewegen. Het vetschort ligt los in de buikholte en beschermt de buikorganen. Wanneer je
het vetschort optilt dan kijk je op de dunne darmen. Er zijn verschillende vormen van
bewegingen, zoals de bewegingen van de organen zelf, spijsverteringsorganen hebben een
peristaltische beweging en het hart heeft een kloppende beweging.
Let op! Wil je beweging hebben tussen twee objecten dan moet je tussen de twee objecten een
glijvlak hebben. Een glijvlak wordt op verschillende manieren gegeven in het menselijk lichaam. Het
glijvlak is een substantie tussen bewegende objecten waardoor de beweging wordt gefaciliteerd. In
de buik heb je het buikvlies (peritoneum). Dit zijn sereuze vliezen; dit betekent dat deze vliezen
vocht kunnen produceren, dit maakt een glijvlak om te kunnen bewegen.
4