Geomorfologie
Vooral over de exogene krachten
- Verwering = afbrokkelen, blijft op vooral dezelfde plek
- Erosie = het meenemen van materiaal, er zit beweging in
- Sedimentatie
Erosie onder invloed van:
- Wind (eolisch transport)
- Water (fluviatiele en mariene erosie)
- IJs (Glaciale erosie)
- Natuurlijke zwaartekracht
- Fluvio-glaciale erosie (smeltwater)
Bedrock/moedergesteente: vast gesteente
Regoliet: verweerde deel boven bedrock.
Materiaal is hier altijd geweest, maar is door
verwering veranderd van gesteente naar
sediment.
Soil: bovenste stukje van de regoliet waarin
planten zich kunnen nestelen.
Verwering: Komt voor op zwakke plekken in gesteente
- Vaak langs joints (breuken) ontstaan o.a. door tektoniek.
Mechanische verwering:
- Gesteente valt uit elkaar in deeltjes, maar de samenstelling van het
gesteente veranderd niet.
- Door: vorst, zout, wegvallende druk en temperatuurverschillen.
Soorten mechanische verwering:
- Vorstwerking
- Zoutverwering
- Exfoliatie
- Insolatie (thermisch)
Chemische verwering:
- Verwering van gesteente door
chemische reacties.
- Samenstelling van gesteente
verandert.
- Bijvoorbeeld door: oplossen, reageren met water of zuurstof.
- Er is vocht nodig en het proces verloopt sneller bij hogere
temperatuur.
, Soorten chemische verwering:
- Hydratatie
∞ Water wordt opgenomen in het mineraal.
∞ VB: Verwering van graniet.
o Veldspaat Kleideeltjes (spoelen of waaien weg).
o Kwarts SiO2 Zandkorrels (SiO2) blijven achter.
- Oxidatie
∞ Gesteente dat ijzer bevat verroest wanneer het blootgesteld
wordt aan zuurstof.
∞ Voor de reactie is zuurstof en water nodig.
∞ Hierdoor wordt het gesteente zwakker.
- Carbonatie
∞ Kalksteen lost op
∞ Onder invloed van zuur (regen)water
∞ Snel verweringsproces
Biologische verwering:
- Mechanische verwering: boomwortels en gangen van dieren
- Chemisch: afscheiding van zuren
Mechanische-, chemische- en biologische verwering hangen nauw samen
en versterken elkaar.
Intensiteit van verwering hangt af van:
- Moedermateriaal
- Aanwezigheid van bodem (zelfversterkend proces)
- Aanwezigheid vocht
- Temperatuur
- Bodemleven/plantenwortels
Karstverschijnselen:
- Carbonatie: kalksteen lost op door
zuur water van vegetatie
- Karstverschijnselen ontstaan door het
oplossen van kalksteen
- Wanneer water door scheuren sijpelt
lost kalksteen op. Hierdoor kunnen
grotten ontstaan. Binnen deze grotten
vormt de opgeloste kalk nieuwe
stalagmieten en stalactieten.
- Komt voor op plekken waar veel
kalksteen, regen en vegetatie voor
komt.
, Dolines:
- Wanneer de grot te groot
wordt, word de grot
instabiel. Hierdoor stort de
grot in en krijg je een gat
aan het oppervlak.
- In landschapsvorm
noemen we dit
karstverschijnselen.
Krachten op een helling:
- Wanneer de
wrijvingskracht groter is
dan de zwaartekracht dan
is er geen beweging.
- Wanneer de drempelwaarde van wrijving wordt overschreden gaat
de massa schuiven.
Bepalende factoren hellingstabiliteit:
- Materiaaleigenschappen
∞ Grootte
∞ Vorm (afronding)
- Vegetatie
- Hoeveelheid water
∞ Aanwezig
∞ Verzadigd
- Hellingsaspect
∞ Hellingshoek
∞ Breuken
Hoe beter de consolidatie van het materiaal hoe stabieler de helling.
- Consolidatie: mate waarop materiaal bij elkaar wordt gehouden.
Hoe beter de afronding des te minder de stabiliteit.
Aanwezigheid van water heeft een positief effect op de stabiliteit.
- Aanwezigheid van te veel water heeft een negatief effect op de
stabiliteit.
Een grotere hellingshoek en de aanwezigheid van breuken hebben een
negatief effect op de stabiliteit.
Factoren die gebieden gevoelig maken voor massabeweging:
- Steile hellingen
- Langdurige en/of intensieve regenval
- Voorkomen van aardbevingen
- Afwezigheid bodembedekking
Vooral over de exogene krachten
- Verwering = afbrokkelen, blijft op vooral dezelfde plek
- Erosie = het meenemen van materiaal, er zit beweging in
- Sedimentatie
Erosie onder invloed van:
- Wind (eolisch transport)
- Water (fluviatiele en mariene erosie)
- IJs (Glaciale erosie)
- Natuurlijke zwaartekracht
- Fluvio-glaciale erosie (smeltwater)
Bedrock/moedergesteente: vast gesteente
Regoliet: verweerde deel boven bedrock.
Materiaal is hier altijd geweest, maar is door
verwering veranderd van gesteente naar
sediment.
Soil: bovenste stukje van de regoliet waarin
planten zich kunnen nestelen.
Verwering: Komt voor op zwakke plekken in gesteente
- Vaak langs joints (breuken) ontstaan o.a. door tektoniek.
Mechanische verwering:
- Gesteente valt uit elkaar in deeltjes, maar de samenstelling van het
gesteente veranderd niet.
- Door: vorst, zout, wegvallende druk en temperatuurverschillen.
Soorten mechanische verwering:
- Vorstwerking
- Zoutverwering
- Exfoliatie
- Insolatie (thermisch)
Chemische verwering:
- Verwering van gesteente door
chemische reacties.
- Samenstelling van gesteente
verandert.
- Bijvoorbeeld door: oplossen, reageren met water of zuurstof.
- Er is vocht nodig en het proces verloopt sneller bij hogere
temperatuur.
, Soorten chemische verwering:
- Hydratatie
∞ Water wordt opgenomen in het mineraal.
∞ VB: Verwering van graniet.
o Veldspaat Kleideeltjes (spoelen of waaien weg).
o Kwarts SiO2 Zandkorrels (SiO2) blijven achter.
- Oxidatie
∞ Gesteente dat ijzer bevat verroest wanneer het blootgesteld
wordt aan zuurstof.
∞ Voor de reactie is zuurstof en water nodig.
∞ Hierdoor wordt het gesteente zwakker.
- Carbonatie
∞ Kalksteen lost op
∞ Onder invloed van zuur (regen)water
∞ Snel verweringsproces
Biologische verwering:
- Mechanische verwering: boomwortels en gangen van dieren
- Chemisch: afscheiding van zuren
Mechanische-, chemische- en biologische verwering hangen nauw samen
en versterken elkaar.
Intensiteit van verwering hangt af van:
- Moedermateriaal
- Aanwezigheid van bodem (zelfversterkend proces)
- Aanwezigheid vocht
- Temperatuur
- Bodemleven/plantenwortels
Karstverschijnselen:
- Carbonatie: kalksteen lost op door
zuur water van vegetatie
- Karstverschijnselen ontstaan door het
oplossen van kalksteen
- Wanneer water door scheuren sijpelt
lost kalksteen op. Hierdoor kunnen
grotten ontstaan. Binnen deze grotten
vormt de opgeloste kalk nieuwe
stalagmieten en stalactieten.
- Komt voor op plekken waar veel
kalksteen, regen en vegetatie voor
komt.
, Dolines:
- Wanneer de grot te groot
wordt, word de grot
instabiel. Hierdoor stort de
grot in en krijg je een gat
aan het oppervlak.
- In landschapsvorm
noemen we dit
karstverschijnselen.
Krachten op een helling:
- Wanneer de
wrijvingskracht groter is
dan de zwaartekracht dan
is er geen beweging.
- Wanneer de drempelwaarde van wrijving wordt overschreden gaat
de massa schuiven.
Bepalende factoren hellingstabiliteit:
- Materiaaleigenschappen
∞ Grootte
∞ Vorm (afronding)
- Vegetatie
- Hoeveelheid water
∞ Aanwezig
∞ Verzadigd
- Hellingsaspect
∞ Hellingshoek
∞ Breuken
Hoe beter de consolidatie van het materiaal hoe stabieler de helling.
- Consolidatie: mate waarop materiaal bij elkaar wordt gehouden.
Hoe beter de afronding des te minder de stabiliteit.
Aanwezigheid van water heeft een positief effect op de stabiliteit.
- Aanwezigheid van te veel water heeft een negatief effect op de
stabiliteit.
Een grotere hellingshoek en de aanwezigheid van breuken hebben een
negatief effect op de stabiliteit.
Factoren die gebieden gevoelig maken voor massabeweging:
- Steile hellingen
- Langdurige en/of intensieve regenval
- Voorkomen van aardbevingen
- Afwezigheid bodembedekking