Katern 5 Samenwerken en onderhandelen –
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1 – Prisoner’s dilemma
Gevangenendilemma of prisoner’s dilemma: een situatie bekend uit de speltheorie
waarbij twee partijen voor de keus staan samen te werken of niet, waarbij
samernwerken meer oplevert dan niet samenwerken.
Speltheorie:
o Sequentieel spel: nemen spelers beslissingen na elkaar, zoals bij bordspellen;
o Simultaan spel: beslissing gelijktijdig en eenmalig.
Gevangendilemma of prisoner’s dilemma:
o Tegelijktijdig beslissen
o Beslissing van de één staat los van die van de ander, maar heeft wel gevolgen voor
de ander;
o Eenmalige beslissing
o Beschikken over dezelfde informatie;
o Kiezen voor eigen belang;
o Keuze uit twee alternatieven;
o Kan niet overleggen.
De mogelijke uitkomsten van het gevangendilemma noteer je in een tabel. Zo’n tabel met
de mogelijke uitkomsten van een spel noem je een opbrengstenmatrix of payoff-
matrix.
Dominante strategie: de voordeligste stategie die iemand kiest onafhankelijk van wat
de ander kiest. individueel belang.
Door onafhankelijk te kiezen leidt de dominante strategie in een gevangendilemma vaak
tot een niet-optimale uitkomst. Gevangendilemma = simultaan spel.
Paragraaf 1.2 – Strategie in een prijzenoorlog
Het collectieve belang is eht belang van alle spelers samen. In de speltheorie is er een
onderscheid in:
o Nul-som-spel: de uitkomst van het spel heeft een constante waarde. Als je de
uitkomsten bij elkaar optelt krijg je altijd dezelfde opbrengst.
o Niet nul-som-spel: is er een combinatie van strategieën, waarbij beide spelers
winst of verlies hadden kunnen maken.
Het gevangenendilemma is een niet nul-som-spel waarbij spelers met tegengestelde
belangen de niet-optimale uitkomst zouden kunnen verbeteren door samen te werken.
(kan bij een simultaan spel natuurlijk niet).
, In een prijzenoorlog bestrijden concurrenten elkaar met prijsverlagingen. Het idee is
om door prijsverlagingen het marktaandeel te vergroten of zelfs concurrrenten van de
markt te verdrijven. voorbeeld; supermarkten. Het voeren van prijzenoorlogen zie je
vooral in een oligopolistische markt.
Paragraaf 1.3 – Onderhandelen en samenwerken
Soms spelen sociale normen bij het maken van afspraken een rol. Sociale normen zijn
ongeschreven regels over hoe je je hoort te gedragen. kunnen ervoor zorgen dat
mensen of bedrijven gaan samenwerken, waar ze dat van uit individuele belang niet
zouden doen.
Onderhandelen zorgt dat je in overleg tot een afspraak komt waarbij je de belangen van
alle betrokkenen meeweegt en de oplossing voor alle partijen acceptabel is. Om te
zorgen dat je gemaakte afspraken nakomt, schrijf je ze op in een contract. (=een
document waarin de gemaakte afspraken zijn vastgelegd). Met een contract kun je het
collectief belang boven het eigen belang stellen en het gevangenendilemma doorbreken.
Een prijzenoorlog mag in Nederland wel, maar prijsafspraken niet.
Sociale normen maken dat het niet acceptabel is om afspraken in een contract niet na te
komen. Om je vertrouwen in de tegenpartij te laten zien of om die partij over te halen,
kun je ook jezelf eenzijdig aan een afspraak houden. Dit noem je zelfbinding. Dan zegt
een van de beide spelers vooraf welke keuze hij gaat maken, ongeacht de keuze van de
andere speler.
Bedrijven investeren om uit te breiden of om nieuwe producten te ontwikkelen = vaak
een risico. Specifieke kosten die je maakt, en die je niet meer ongedaan kunt maken,
noem je verzonken kosten. Lukt het niet om tot een goede samenwerking te komen,
maar zijn er wel kosten gemaakt, dan heb je verzonken kosten. zijn niet terug te
verdienen wanneer de samenwerking niet doorgaat.
Paragraaf 1.4 – De overheid en niet-optimale uitkomsten
Een extern effect is een bijkomstig gevolg vsan productie of consumptie. wordt niet
door de veroorzaker betaald.
Positief extern effect: leidt tot welvaart.
Negatief extern effect: negatieve invloed van productie of consumptie lijdt niet tot
welvaart.
De kosten als gevolg van negatieve externe effecten zijn maatschappelijke kosten.
Collectieve dwang: overheid grijpt in.
Collectieve goederen: goederen die de overheid voortbrengt, omdat de goederen niet in
individuele eenheden te splitsen zijn en geen prijs voor het goed bij de gebruiker in
rekening kan worden gebracht. worden betaald uit belastinggeld.
Quasi-collectieve goederen: goederen waarvan de lasten grotendeels door de overheid
worden betaald, maar die individueel kunnen worden afgenomen, zoals bibliotheken of
theaters.
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1 – Prisoner’s dilemma
Gevangenendilemma of prisoner’s dilemma: een situatie bekend uit de speltheorie
waarbij twee partijen voor de keus staan samen te werken of niet, waarbij
samernwerken meer oplevert dan niet samenwerken.
Speltheorie:
o Sequentieel spel: nemen spelers beslissingen na elkaar, zoals bij bordspellen;
o Simultaan spel: beslissing gelijktijdig en eenmalig.
Gevangendilemma of prisoner’s dilemma:
o Tegelijktijdig beslissen
o Beslissing van de één staat los van die van de ander, maar heeft wel gevolgen voor
de ander;
o Eenmalige beslissing
o Beschikken over dezelfde informatie;
o Kiezen voor eigen belang;
o Keuze uit twee alternatieven;
o Kan niet overleggen.
De mogelijke uitkomsten van het gevangendilemma noteer je in een tabel. Zo’n tabel met
de mogelijke uitkomsten van een spel noem je een opbrengstenmatrix of payoff-
matrix.
Dominante strategie: de voordeligste stategie die iemand kiest onafhankelijk van wat
de ander kiest. individueel belang.
Door onafhankelijk te kiezen leidt de dominante strategie in een gevangendilemma vaak
tot een niet-optimale uitkomst. Gevangendilemma = simultaan spel.
Paragraaf 1.2 – Strategie in een prijzenoorlog
Het collectieve belang is eht belang van alle spelers samen. In de speltheorie is er een
onderscheid in:
o Nul-som-spel: de uitkomst van het spel heeft een constante waarde. Als je de
uitkomsten bij elkaar optelt krijg je altijd dezelfde opbrengst.
o Niet nul-som-spel: is er een combinatie van strategieën, waarbij beide spelers
winst of verlies hadden kunnen maken.
Het gevangenendilemma is een niet nul-som-spel waarbij spelers met tegengestelde
belangen de niet-optimale uitkomst zouden kunnen verbeteren door samen te werken.
(kan bij een simultaan spel natuurlijk niet).
, In een prijzenoorlog bestrijden concurrenten elkaar met prijsverlagingen. Het idee is
om door prijsverlagingen het marktaandeel te vergroten of zelfs concurrrenten van de
markt te verdrijven. voorbeeld; supermarkten. Het voeren van prijzenoorlogen zie je
vooral in een oligopolistische markt.
Paragraaf 1.3 – Onderhandelen en samenwerken
Soms spelen sociale normen bij het maken van afspraken een rol. Sociale normen zijn
ongeschreven regels over hoe je je hoort te gedragen. kunnen ervoor zorgen dat
mensen of bedrijven gaan samenwerken, waar ze dat van uit individuele belang niet
zouden doen.
Onderhandelen zorgt dat je in overleg tot een afspraak komt waarbij je de belangen van
alle betrokkenen meeweegt en de oplossing voor alle partijen acceptabel is. Om te
zorgen dat je gemaakte afspraken nakomt, schrijf je ze op in een contract. (=een
document waarin de gemaakte afspraken zijn vastgelegd). Met een contract kun je het
collectief belang boven het eigen belang stellen en het gevangenendilemma doorbreken.
Een prijzenoorlog mag in Nederland wel, maar prijsafspraken niet.
Sociale normen maken dat het niet acceptabel is om afspraken in een contract niet na te
komen. Om je vertrouwen in de tegenpartij te laten zien of om die partij over te halen,
kun je ook jezelf eenzijdig aan een afspraak houden. Dit noem je zelfbinding. Dan zegt
een van de beide spelers vooraf welke keuze hij gaat maken, ongeacht de keuze van de
andere speler.
Bedrijven investeren om uit te breiden of om nieuwe producten te ontwikkelen = vaak
een risico. Specifieke kosten die je maakt, en die je niet meer ongedaan kunt maken,
noem je verzonken kosten. Lukt het niet om tot een goede samenwerking te komen,
maar zijn er wel kosten gemaakt, dan heb je verzonken kosten. zijn niet terug te
verdienen wanneer de samenwerking niet doorgaat.
Paragraaf 1.4 – De overheid en niet-optimale uitkomsten
Een extern effect is een bijkomstig gevolg vsan productie of consumptie. wordt niet
door de veroorzaker betaald.
Positief extern effect: leidt tot welvaart.
Negatief extern effect: negatieve invloed van productie of consumptie lijdt niet tot
welvaart.
De kosten als gevolg van negatieve externe effecten zijn maatschappelijke kosten.
Collectieve dwang: overheid grijpt in.
Collectieve goederen: goederen die de overheid voortbrengt, omdat de goederen niet in
individuele eenheden te splitsen zijn en geen prijs voor het goed bij de gebruiker in
rekening kan worden gebracht. worden betaald uit belastinggeld.
Quasi-collectieve goederen: goederen waarvan de lasten grotendeels door de overheid
worden betaald, maar die individueel kunnen worden afgenomen, zoals bibliotheken of
theaters.