Kindergarten Through Third Grade)
Auteurs: O’Conner, Harty, Fulmer (2005)
Over: Respons to intervention, 3 Tier benadering
Artikel ‘Tiers of Intervention in Kindergarten Through Third Grade’
‘Lagen van interventies op de kleuterschool tot aan groep 5
(grade 3)’.
Samenvatting
Deze studie heeft het effect onderzocht van vergrootte interventie m.b.t. het
lezen voor leerlingen van groep 1 t/m groep 3. Daarbij is onderzocht of
interventies die al jonge leeftijd gedaan worden effectief zijn op oudere leeftijd.
Laag 1 = bestaat uit de ‘normale’ professionele ontwikkeling van leerkrachten
m.b.t. lezen.
In deze studie lag de focus op de extra instructie aan kinderen die op de
kleuterschool beneden gemiddeld scoren.
Laag 2 = kleine groep, leesinstructie 3x per week
Laag 3 = Dagelijkse instructie aan 1 of 2 leerlingen tegelijk
Conclusie: Leerlingen die interventies hebben gehad scoren beter in decoderen,
woordherkenning, vloeiendheid en het leesbegrip.
In 1980 bleek uit onderzoek dat er een associatie is tussen fonemisch bewustzijn
en de mogelijkheden om tot lezen te komen. Het fonemisch bewustzijn kon
gebruikt worden om leesprestaties later te voorspellen.
Fonemisch bewustzijn = de mogelijkheid om klanken te horen en te manipuleren
(vervangen)
De relatie tussen het fonemisch bewustzijn en de leesprestaties bleken groter te
zijn dan tussen lezen en kenmerken van kinderen zoals IQ of sociaaleconomische
status.
> Onderzoekers hebben geëxperimenteerd door kinderen bewust, fonemisch
bewustzijn bij te brengen (vervangen van klanken door andere klanken etc.) en
hebben daarbij de invloed op de leesontwikkeling onderzocht.
> Daaruit blijkt dat fonemisch bewustzijn aan kinderen geleerd kan worden die
dat niet van nature bezitten, en dat daardoor kleine, maar betrouwbare
vooruitgang wordt geboekt op de leesontwikkeling.
Door deze positieve resultaten vroegen onderzoekers zich af of vroegtijdige
interventie gericht op fonemisch bewustzijn en letterkennis de ernst van de
leesproblemen (RD : reading disability) op latere leeftijd verminderd.
Drie problemen kwamen naar voren:
1. De leerlingen die wellicht profiteren van vroegtijdige interventie moesten
op de kleuterschool al er uit gehaald worden, veel eerder dan normaal
gesproken het geval is
Veel studies haalden veel meer kinderen er uit die op basis van het
fonemisch bewustzijn als ‘zwakke lezer’ werd bestempeld dan dat er
daadwerkelijk kinderen met leesproblemen zijn > er werden dus te veel
kinderen in het onderzoek betrokken dan reëel.
Dit blijkt in veel studies zo te zijn: voorstanders van vroegtijdige
interventie gaven als suggestie dat de vroegtijdige interventie flexibel
moest zijn: kinderen die vooraf foutief waren geselecteerd moesten
uiteindelijk buiten het onderzoek worden gelaten.
2. Hoewel vroegtijdige interventie in lezen vaak succesvol is, is het ook
kostbaar.
1
, Master Kennis Toets TAAL/LEZEN ARTIKEL 3 (Tiers of Intervention in
Kindergarten Through Third Grade)
Omdat het kostbaar is, moet telkens ‘gemonitord’ worden: de behandeling
moet alleen gebruikt worden wanneer het nog effectief is > gedurende
een bepaalde periode dus.
3. Het meeste onderzoek heeft plaatsgevonden gedurende 1 à 2 jaar.
Met het besef dat er ook leerlingen slecht scoren op de goede interventies,
is het belangrijk dat de ideale duur en intensiteit van de interventie wordt
vastgelegd. Dit vereist longitudinale studies gedurende meerdere jaren.
Veel van de experimenten die zijn uitgevoerd m.b.t. vroegtijdige interventie
hebben vaak plaatsgevonden in isolatie: buiten de normale instructie zoals in de
klas.
Vanaf 1990 heeft er onderzoek plaatsgevonden met modellen van interventies
opgenomen binnen de klas als de eerste laag van interventie.
> Vooruitgang in het lesgeven in de klas werd teweeggebracht bij een continue
professionele ontwikkeling van de leerkrachten, waarbij de vooruitgang in het
lezen frequent werd bepaald.
> De combinatie van professionele ontwikkeling en feedback aan de leerkrachten
m.b.t. de vooruitgang in het lezen, verminderde het voorkomen van zwakke
lezers tijdens dit onderzoek.
> De onderzoekers zijn zich echter bewust van een substantiële overwaardering
van het aantal zwakke lezers op de kleuterschool, waardoor het aantal zwakke
lezers aan het eind van groep 3 (grade 1) opnieuw kan toenemen, wanneer het
lezen meer complex wordt.
Om vast te kunnen stellen wat de effecten zijn van vroegtijdige interventie op
leesproblemen, is het belangrijk om de ontwikkeling van leerlingen m.b.t. het
lezen te blijven volgen en om wellicht oom interventies door te gaan, na groep 3.
> Er is gebruik gemaakt van historische groepen om vast te kunnen stellen wat
het effect van leerkrachten is en hebben onderzoek gedaan naar de combinatie
of een continue professionele ontwikkeling voor leerkrachten en directe
interventie met leerlingen van invloed is op de leesontwikkeling van de
leerlingen.
> Zij kregen speciaal onderwijs vanaf de kleuterschool tot aan grade 3 (groep 1
t/m groep 5).
> In dit onderzoek is gekeken naar laag 2- en laag 3 – interventies die gegeven
zijn aan leerlingen vanaf de kleuterschool en het effect op het lezen aan het eind
van groep 5.
Methode
Deelnemers
- 4 jarige samenwerking met twee scholen
- 20 leerkrachten van groep 1 t/m groep 5
- +/- 100 leerlingen van iedere groep
- Het niveau van betrokkenheid v.d. ouders verschilde per school > van 10
tot 70%
- 15% van groep 5 ontving extra onderwijs, vaak voor leerproblemen
(learning disabilities, LD).
Laag 1 – Professionele ontwikkeling
Verschillende sessies gedurende het schooljaar moesten ervoor zorgen dat de
leerkrachten hun eigen professionele ontwikkeling zouden gebruiken om de
leesinstructie te verbeteren.
2