1-Planten
Bladgroenkorrels maken
glucose, een belangrijke
voedingsstof van een
plant. Bladeren bestaan
uit verschillende soorten
weefsels: Opperhuid met
huidmondjes, weefsel
met bladgroenkorrels en
vaatbundels. Het grootste
deel van een blad bestaat
uit weefsel met
bladgroenkorrels. Alleen
in deze delen kan
fotosynthese
plaatsvinden. Water en
glucose worden met de
vaatbundel vervoerd.
Fotosynthese:
Water + koolstofdioxide + energie (licht) →Glucose + zuurstof
H2O + CO2 + energie (licht) → C6H12O6 + O2
Gassen worden opgenomen en afgegeven met huidmondjes.
Het grootste deel van de zuurstof die bij fotosynthese ontstaat, wordt via
huidmondjes afgegeven aan de lucht. Van
glucose maakt een plant allerlei andere
stoffen, bijvoorbeeld de stoffen waaruit de
plant zelf bestaat. Fotosynthese vindt
alleen plaats in cellen met
bladgroenkorrels en bij een geschikte
temperatuur. Als het te koud is, vindt geen
fotosynthese plaats. Het openen en sluiten
van de huidmondjes gebeurt door
vormverandering van de sluitcellen. Als
de stevigheid van de sluitcellen toeneemt,
wordt de opening tussen de sluitcellen
groter.
, 2- Wortels en stengels
Vaatbundels bestaan uit houtvaten en bastvaten.
Houtvaten vervoeren water en opgeloste mineralen
(voedingszouten) van de wortels via de stengels naar de
bladeren. Houtvaten bestaan uit boven elkaar liggende
dode houtcellen, de celwanden zijn verdikt en bestaan uit
cellulose en houtstof, de cellen en dwarswanden zijn
verdwenen. Bastvaten vervoeren vooral water en
energierijke stoffen naar alle delen van de plant.
Bastvaten bestaan uit boven elkaar liggende levende
bastcellen, in de dwarswanden zitten openingen.
Ligging van houtvaten en Bastvaten Houtvaten
bastvaten
In de stengels in vaatbundels Buitenkant Binnenkant
In bladeren in vaatbundels die in onderzijde bovenzijde
nerven liggen
In een stam van een boom buitenkant Binnenkant
Hoe krijgen planten stevigheid?
● Door water; hierdoor stijgt de druk van de cel tegen de celwand.
- In vrijwel alle levende cellen van wortels, stengels en bladeren
● Door houtvaten; dikke wanden met cellulose en houtstof.
- In wortels en stengels (in vaatbundels) en in bladeren ( in nerven)
● Door vezels; dikke celwanden met cellulose en houtstof.
- In stengels: aan de buitenkant van de stengel of rondom
vaatbundels.
- In bladeren: rondom vaatbundels (de buitenste laag van nerven)
Wortels nemen water en mineralen op via de celwanden van de wortelharen
(uitstulpingen van opperhuidcellen). Wortels, stengels, en bladeren
transporteren water en mineralen via houtvaten. Vooral door zuiging van de
bladeren: door verdamping van water uit de bladeren wordt water in de
houtvaten omhoog gezogen. Ook door worteldruk: de wortels 'persen' het
water omhoog. Het grootste deel van het opgenomen water verdampt; een
klein deel wordt verbruikt bij de fotosynthese. De mineralen worden gebruikt
bij de vorming van stoffen waaruit planten zijn opgebouwd bijv. eiwitten.
Bladgroenkorrels maken
glucose, een belangrijke
voedingsstof van een
plant. Bladeren bestaan
uit verschillende soorten
weefsels: Opperhuid met
huidmondjes, weefsel
met bladgroenkorrels en
vaatbundels. Het grootste
deel van een blad bestaat
uit weefsel met
bladgroenkorrels. Alleen
in deze delen kan
fotosynthese
plaatsvinden. Water en
glucose worden met de
vaatbundel vervoerd.
Fotosynthese:
Water + koolstofdioxide + energie (licht) →Glucose + zuurstof
H2O + CO2 + energie (licht) → C6H12O6 + O2
Gassen worden opgenomen en afgegeven met huidmondjes.
Het grootste deel van de zuurstof die bij fotosynthese ontstaat, wordt via
huidmondjes afgegeven aan de lucht. Van
glucose maakt een plant allerlei andere
stoffen, bijvoorbeeld de stoffen waaruit de
plant zelf bestaat. Fotosynthese vindt
alleen plaats in cellen met
bladgroenkorrels en bij een geschikte
temperatuur. Als het te koud is, vindt geen
fotosynthese plaats. Het openen en sluiten
van de huidmondjes gebeurt door
vormverandering van de sluitcellen. Als
de stevigheid van de sluitcellen toeneemt,
wordt de opening tussen de sluitcellen
groter.
, 2- Wortels en stengels
Vaatbundels bestaan uit houtvaten en bastvaten.
Houtvaten vervoeren water en opgeloste mineralen
(voedingszouten) van de wortels via de stengels naar de
bladeren. Houtvaten bestaan uit boven elkaar liggende
dode houtcellen, de celwanden zijn verdikt en bestaan uit
cellulose en houtstof, de cellen en dwarswanden zijn
verdwenen. Bastvaten vervoeren vooral water en
energierijke stoffen naar alle delen van de plant.
Bastvaten bestaan uit boven elkaar liggende levende
bastcellen, in de dwarswanden zitten openingen.
Ligging van houtvaten en Bastvaten Houtvaten
bastvaten
In de stengels in vaatbundels Buitenkant Binnenkant
In bladeren in vaatbundels die in onderzijde bovenzijde
nerven liggen
In een stam van een boom buitenkant Binnenkant
Hoe krijgen planten stevigheid?
● Door water; hierdoor stijgt de druk van de cel tegen de celwand.
- In vrijwel alle levende cellen van wortels, stengels en bladeren
● Door houtvaten; dikke wanden met cellulose en houtstof.
- In wortels en stengels (in vaatbundels) en in bladeren ( in nerven)
● Door vezels; dikke celwanden met cellulose en houtstof.
- In stengels: aan de buitenkant van de stengel of rondom
vaatbundels.
- In bladeren: rondom vaatbundels (de buitenste laag van nerven)
Wortels nemen water en mineralen op via de celwanden van de wortelharen
(uitstulpingen van opperhuidcellen). Wortels, stengels, en bladeren
transporteren water en mineralen via houtvaten. Vooral door zuiging van de
bladeren: door verdamping van water uit de bladeren wordt water in de
houtvaten omhoog gezogen. Ook door worteldruk: de wortels 'persen' het
water omhoog. Het grootste deel van het opgenomen water verdampt; een
klein deel wordt verbruikt bij de fotosynthese. De mineralen worden gebruikt
bij de vorming van stoffen waaruit planten zijn opgebouwd bijv. eiwitten.