Jeugdliteratuur begrippen
www.lesintaal.nl
Jeugdliteratuur – Taaldomein waarin het stimuleren van het lezen van literaire
teksten centraal staat.
Een goede lezer leest nauwkeurig en vlot, begrijpt wat hij leest, kan teksten leren
en is gemotiveerd om te lezen en waardeert wat hij leest.
Het doel van onderwijs in jeugdliteratuur is leerlingen in aanraking te brengen
met verschillende literaire genres, hun literaire smaak te ontwikkelen, ze te
motiveren om te lezen en leesplezier te laten beleven.
1. Leerinhoud
Leerling als taalgebruiker
Literaire smaak - Het ontwikkelen van een voorkeur voor bepaalde boeken.
Leesplezier - De mate waarin een leerling plezier beleeft aan het lezen van
boeken.
Leesdoel bepalen - De verschillende doelen die de lezer kan hanteren.
Bijvoorbeeld: informatie zoeken, iets willen weten, zoekt naar meningen en
emoties, zoekt naar argumenten, wil zich ontspannen.
Taalkenmerken
Literaire genres - Teksten die tot dezelfde groep kunnen worden gerekend, omdat
ze bijvoorbeeld hetzelfde thema, hetzelfde doel of dezelfde vorm hebben.
Niveaubepaling van teksten - Teksten worden gelabeld en ingedeeld in
verschillende niveaus, meestal naar het lees technische niveau, maar ook vaak
naar thema, leeservaring en complexiteit van het verhaal.
2. Domeindidactiek
Leerkrachtvaardigheden
Mondeling bij jeugdliteratuur - De leraar doet bepaalde denkprocessen hardop
voor aan de leerlingen.
Zo worden die veelal impliciete (als iets zo is meer niet gezegd wordt) en
daardoor onzichtbare vaardigheden voor de leerlingen verduidelijkt. De leraar
fungeert als een model voor de leerlingen.
Begeleiden tekstkeuze - De leraar is op de hoogte van de aspecten die van
belang zijn bij de advisering van boeken voor zijn leerlingen: leesniveau,
leesvaardigheid, literaire smaak en belangstelling van de leerlingen.
Voorlees- en verteltechnieken - De leraar weet hoe hij boeiend kan voorlezen en
vertellen.
Literaire competentie - De leraar stimuleert de leerlingen zich een voorstelling
van de opgeroepen wereld in het boek te vormen en tot een afgewogen oordeel
te komen over het boek.
Tijdens het lezen vormt de lezer zich een voorstelling van de personages, de
omgeving en de tijd in het boek. Ook vormt hij zich een oordeel over wat hij leest.
Dit vermogen neemt toe met de leeftijd en leeservaring van de lezer. De leraar
ondersteunt zijn leerlingen hierin door zelf te lezen en te praten over zijn
leeservaringen en door vragen te stellen over boeken.
Onderwijsmiddelen
Leesomgeving - De leerkracht draagt zorg voor een stimulerende leesomgeving
voor zijn leerlingen.
De inrichting van het lokaal stimuleert leerlingen tot lezen.
Vrij lezen - Zelfstandig, individueel lezen door leerlingen van zelfgekozen boeken
op een in het lesrooster opgenomen tijdstip. Vrij lezen heeft een positief effect op
het leesgedrag
www.lesintaal.nl
Jeugdliteratuur – Taaldomein waarin het stimuleren van het lezen van literaire
teksten centraal staat.
Een goede lezer leest nauwkeurig en vlot, begrijpt wat hij leest, kan teksten leren
en is gemotiveerd om te lezen en waardeert wat hij leest.
Het doel van onderwijs in jeugdliteratuur is leerlingen in aanraking te brengen
met verschillende literaire genres, hun literaire smaak te ontwikkelen, ze te
motiveren om te lezen en leesplezier te laten beleven.
1. Leerinhoud
Leerling als taalgebruiker
Literaire smaak - Het ontwikkelen van een voorkeur voor bepaalde boeken.
Leesplezier - De mate waarin een leerling plezier beleeft aan het lezen van
boeken.
Leesdoel bepalen - De verschillende doelen die de lezer kan hanteren.
Bijvoorbeeld: informatie zoeken, iets willen weten, zoekt naar meningen en
emoties, zoekt naar argumenten, wil zich ontspannen.
Taalkenmerken
Literaire genres - Teksten die tot dezelfde groep kunnen worden gerekend, omdat
ze bijvoorbeeld hetzelfde thema, hetzelfde doel of dezelfde vorm hebben.
Niveaubepaling van teksten - Teksten worden gelabeld en ingedeeld in
verschillende niveaus, meestal naar het lees technische niveau, maar ook vaak
naar thema, leeservaring en complexiteit van het verhaal.
2. Domeindidactiek
Leerkrachtvaardigheden
Mondeling bij jeugdliteratuur - De leraar doet bepaalde denkprocessen hardop
voor aan de leerlingen.
Zo worden die veelal impliciete (als iets zo is meer niet gezegd wordt) en
daardoor onzichtbare vaardigheden voor de leerlingen verduidelijkt. De leraar
fungeert als een model voor de leerlingen.
Begeleiden tekstkeuze - De leraar is op de hoogte van de aspecten die van
belang zijn bij de advisering van boeken voor zijn leerlingen: leesniveau,
leesvaardigheid, literaire smaak en belangstelling van de leerlingen.
Voorlees- en verteltechnieken - De leraar weet hoe hij boeiend kan voorlezen en
vertellen.
Literaire competentie - De leraar stimuleert de leerlingen zich een voorstelling
van de opgeroepen wereld in het boek te vormen en tot een afgewogen oordeel
te komen over het boek.
Tijdens het lezen vormt de lezer zich een voorstelling van de personages, de
omgeving en de tijd in het boek. Ook vormt hij zich een oordeel over wat hij leest.
Dit vermogen neemt toe met de leeftijd en leeservaring van de lezer. De leraar
ondersteunt zijn leerlingen hierin door zelf te lezen en te praten over zijn
leeservaringen en door vragen te stellen over boeken.
Onderwijsmiddelen
Leesomgeving - De leerkracht draagt zorg voor een stimulerende leesomgeving
voor zijn leerlingen.
De inrichting van het lokaal stimuleert leerlingen tot lezen.
Vrij lezen - Zelfstandig, individueel lezen door leerlingen van zelfgekozen boeken
op een in het lesrooster opgenomen tijdstip. Vrij lezen heeft een positief effect op
het leesgedrag