Uitwerkingen oefenopgaven
Opgave 5.1
Opmerking vooraf: de extra uren die Jan werkt, worden meegenomen bij het bepalen van het
belastbaar loon voor de loonbelasting. Dat betekent dat Jan de inkomsten moet overnemen zoals deze
zijn vastgelegd op de jaaropgave. Als deze jaaropgave niet klopt, moet hij dit bij zijn werkgever
melden.
Het genietingsmoment voor de loonbelasting is gelijk aan dat van de inkomstenbelasting. Dat wil
zeggen dat de overuren van Jan worden belast op het moment dat hij het geld ontvangt, het wordt
verrekend, het ter beschikking wordt gesteld of als het geld vorderbaar en tevens inbaar is. Dit kan pas
op zijn vroegst in januari van jaar 2 zijn. Eerder is nog niet bekend hoeveel overuren Jan in december
van jaar 1 heeft gemaakt.
Opgave 5.2
Fiets: er kunnen geen kosten in aftrek worden gebracht. De werkgever mag wel (onbelast) een
vergoeding verstrekken van € 0,19 per kilometer.
Eigen auto: in verband met het reizen met de eigen auto mogen geen kosten in mindering worden
gebracht op het te belasten loon. De werkgever mag wel (onbelast) een vergoeding verstrekken van
€ 0,19 per kilometer.
Openbaar vervoer: nu kan een aftrek worden geclaimd mits Renate over een openbaarvervoer- of
reisverklaring beschikt. Op grond van de reisaftrek mag Renate 3/4 (reist ‘slechts’ 3 dagen op en neer)
× € 974 (meer dan 20 kilometer, maar niet meer dan 30 kilometer) in mindering brengen op haar
belastbaar loon.
Opgave 5.3
a. Het uitlenen van geld aan de eigen bv wordt belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Er
wordt namelijk vermogen ter beschikking gesteld aan de eigen bv. Het resultaat moet worden
bepaald als ware er sprake van een onderneming (art. 3.95 Wet IB). Dus moet worden uitgegaan van
een (zakelijke) rente van 3%. Er mag nog wel rekening worden gehouden met de tbs-vrijstelling
(art. 3.99b Wet IB).
b. Als de lening wordt verstrekt door de minderjarige zoon, is er ook sprake van resultaat uit overige
werkzaamheden. Het minderjarige kind leent geld uit aan de bv van een aan hem verbonden
persoon (art. 3.92 en 3.91 lid 2 letter c Wet IB). Het resultaat wordt vervolgens toegerekend aan de
ouders (art. 2.15 Wet IB).
Een ouder is in principe geen verbonden persoon als de lening wordt verstrekt door een
meerderjarig kind. Dit wordt echter anders als de lening maatschappelijk ongebruikelijk is (art. 3.92
lid 3 Wet IB). Omdat hier wordt gewerkt met een lage rente, wordt de rente toch belast als resultaat
uit overige werkzaamheden.
In beide gevallen moet dus worden uitgegaan van een rente van 3%. Er mag nog wel rekening
worden gehouden met de tbs-vrijstelling (art. 3.99b Wet IB).
c. Normaal worden inkomsten belast in het jaar waarin zij worden genoten. Bij het resultaat uit
overige werkzaamheden ligt dat anders. Hierbij moeten de opbrengsten en kosten worden
toegerekend aan de jaren waarop zij betrekking hebben. Een en ander op basis van goed
koopmansgebruik (art. 3.25 Wet IB). Dit omdat het resultaat moet worden bepaald als ware er
sprake van een onderneming. Dus de heffing over de rente mag niet naar een volgend jaar worden
doorgeschoven.
d. Als het geld dat wordt uitgeleend aan de bv in de huwelijksgemeenschap valt, moet ieder 50% van
de rente aangegven (art. 3.92 lid 4 Wet IB).
1
© Convoy Uitgevers
, Hoofdstuk 5 Belastingrecht voor Bachelors en Masters – 2014/2015
Opgave 5.4
a. Omdat er geen sprake is van een onderneming en hij de werkzaamheden niet in loondienst verricht,
moet Bjorn de voordelen uit deze werkzaamheden verantwoorden als resultaat uit overige
werkzaamheden. Het voordeel wordt bepaald alsof er sprake is van een onderneming. Veel artikelen
die voor een ondernemer gelden, moeten ook nu worden toegepast (art. 3.95 Wet IB).
Opbrengsten € 5.000
Reiskosten (€ 0,19 per kilometer)
(zie art. 3.17 lid 1 letter b Wet IB) € 19 –/–
Vakliteratuur € 50 –/–
Afschrijving computer (20% per jaar)
(zie art. 3.30 Wet IB) € 100 –/–
Resultaat € 4.831
b. Er is geen sprake van het ter beschikking stellen van vermogen in de zin van art. 3.91 of 3.92 Wet
IB. Het zijn ‘gewone’ nevenwerkzaamheden en dan kan geen beroep worden gedaan op de tbs-
vrijstelling van art. 3.99b Wet IB.
Opgave 5.5
a. Het verstrekken van een lening aan de eigen bv wordt aangemerkt als het ter beschikking stellen
van vermogen aan die bv. De voordelen (zowel positief als negatief) worden belast als resultaat uit
overige werkzaamheden. Het resultaat wordt bepaald overeenkomstig goed koopmansgebruik. De
rente die Frits te vorderen heeft, zou hij moeten aangeven. Echter, door de bijgeschreven rente
neemt zijn vordering toe. Deze vordering moet hij waarderen op de waarde in het economische
verkeer (nihil). Dit vermogensverlies vormt een negatief resultaat uit overige werkzaamheden en
kan in mindering worden gebracht op eventuele positieve inkomsten in box 1.
b. Op zich heeft dit geen fiscale gevolgen. De afboeking van de vordering in het verleden moet in het
betreffende jaar worden teruggedraaid. Dit zou een positief resultaat opleveren. Maar tegelijkertijd
mag ten laste van het resultaat een opwaarderingsreserve worden gevormd. Per saldo gebeurt er in
het jaar van omzetting niets.
c. Op het moment dat de aandelen die door de omzetting zijn verkregen in waarde stijgen, moet de
opwaarderingsreserve worden verminderd. Deze vermindering leidt tot een postief resultaat uit
overige werkzaamheden.
Opgave 5.6
a. Doris ontvangt van Bert alimentatie (in de vorm van woonruimte en contanten). Beide
verstrekkingen worden belast bij Doris.
In verband met de woonruimte moet zij op grond van art. 3.101 lid 2 Wet IB een bedrag aangeven
van: 0,70% × € 250.000 = € 1.750.
De alimentatie die bestemd is voor Doris wordt op grond van art. 3.101 lid 1 letter b Wet IB bij haar
belast. De alimentatie die bestemd is voor het kind wordt daarentegen niet belast bij Doris of het
kind zelf.
b. Kosten tot behoud van de alimentatie van Doris mogen op grond van art. 3.108 Wet IB in aftrek
worden gebracht.
Opgave 5.7
a. De eisen staan in art. 3.119a lid 1 Wet IB. Het geld moet worden aangewend voor de eigen woning.
Als een deel van de schuld niet wordt gebruikt voor de financiering van de woning, is er voor dat
deel van de lening geen sprake van een eigenwoningschuld. In de overeenkomst moet zijn bepaald
dat de lening minimaal annuïtair in ten hoogste 360 maanden wordt afgelost. Kasper moet voldoen
aan de verplichting tot aflossing.
Omdat hij het geld leent van een bank, is de vierde voorwaarde (informatieverplichting) niet van
toepassing want een bank is daartoe zonder meer al verplicht (art. 3.119g Wet IB).
2
© Convoy Uitgevers