Uitwerkingen oefenopgaven
Opgave 8.1
De betaling van € 30.000 wordt op grond van art. 6.3 lid 1 letter b Wet IB aangemerkt als een
persoonsgebonden aftrekpost.
Art. 6.2 Wet IB geeft de volgorde aan van de boxen waarin deze aftrek plaats kan vinden en geeft
tevens aan dat door de toepassing van de persoonsgebonden aftrek het belastbare inkomen in de boxen
niet (meer) negatief mag worden.
Het belastbare inkomen in box 1 is € 20.000negatief,waardoor in box 1 geen ruimte is voor aftrek.
Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, box 3, wordt verlaagd van 500 naar nul.
Er kan vervolgens € 16.000 in box 2 in aanmerking worden genomen.
Er blijft dus van de aftrek over 30.000 –/– (500 + 16.000) = € 13.500.
Dit gedeelte mag als persoonsgebonden aftrek naar het volgende jaar worden meegenomen, art. 6.1 lid
1 letter b Wet IB. Art. 6.2a Wet IB vereist daarvoor een beschikking van de inspecteur.
Opgave 8.2
Doris is ten opzichte van zijn ex-echtgenote onderhoudsplichtig, art. 6.3 lid 1 letter a Wet IB.
Hij voert op als persoonsgebonden aftrek
het bedrag van 1.000 x 4 € 4.000
Daar komt bij: 5 x de aanvulling van € 200 € 1.000
Het bedrag dat de gemeente terugvordert is ook aftrekbaar,
art. 6.3lid 1 letter c Wet IB € 4.000
Omdat Dee in de woning van Doris mag blijven wonen,
gunt hij haar het woongenot. Dit wordt ook als alimentatie beschouwd
en wel tot een bedrag gelijk aan het eigenwoningforfait,
art 6.3 lid 2 Wet IB, over de periode april tot en met december.
Dat is 9/12 x 0,70% x 250.000 (art. 3.112 lid 1 Wet IB) € 1.313
Doris betaalt per kwartaal € 375 voor elk van de kinderen.
Art. 6.13Wet IB vereist dat Doris de kinderen in belangrijke mate onderhoudt en dat is het geval als hij
minimaal € 416 per kind per kwartaal zou overmaken, art. 2 Uitv.reg. IB.
Het verschil is echter niet groot en als Doris kan aantonen dat hij tijdens de bezoeken van de kinderen
en voor de cadeautjes aan de kinderen ten minste € 41 per kwartaal uitgeeft, voldoet hij aan het
criterium ‘in belangrijke mate’.
De aftrek voor levensonderhoud kinderen bestaat uit een vast bedrag per kwartaal, art. 36 Uitv.reg. IB,
en omdat de situatie aan het begin van het kalenderkwartaal beslissend is voor de aftrek, art. 36 lid 4
Uitv.reg. IB, komt Doris in aanmerking voor
een aftrek voor Jetjevan € 205
en voor Kareltje € 250
De totale persoonsgebonden aftrek is dus € 455
1
© Convoy Uitgevers
, Hoofdstuk 8 Belastingrecht voor Bachelors en Masters – 2014/2015
Opgave 8.3
De premie ziektekostenverzekering is niet aftrekbaar (art. 6.18 lid 1 letter b Wet IB),de farmaceutische
hulpmiddelen en de tandartskosten wel (art. 6.17 lid 1 letters c en a Wet IB). Het in eerste instantie in
aanmerking komende bedrag is dus € 600 + € 2.000 = € 2.600.
Omdat het inkomen van Geert hoger is dan € 33.555, mag hij de verhoging van art. 6.19 Wet IB niet
toepassen.
Voor Geert geldt een drempel van (1,65% x 39.618) + (5,75% x (50.000 –/– 39.618)) = € 1.250. Het
bedrag aan specifieke zorgkosten dat hij mag opvoeren is dan € 2.600 –/– 1.250 = € 1.350.
Opgave 8.4
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed behoren tot de buitengewone uitgaven (art. 6.17 lid 1
letter g Wet IB).
Art. 38 Uitv.reg. IB geeft aan dat, als de uitgaven niet meer bedragen dan € 620, de aftrek gesteld
wordt op € 310. Er moet dan wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan.
Op grond van art. 6.19 lid 1 Wet IB mag dit bedrag worden vermeerderd met 40% (113% als >65
jaar)wanneer het verzamelinkomen van de ouders niet meer bedraagt dan € 33.555.
Het wordt dan € 434 (€ 660).
Uiteraard geldt dan nog de algemene drempel voor buitengewone uitgaven.
Opgave 8.5
Aangenomen dat voldaan wordt aan de voorwaarde van art. 6.27 lid 1 Wet IB heeft Alwin recht op
aftrek wegens scholingskosten. De omvang van deze aftrek bedraagt:
Collegegeld € 2.200
Studieboeken en ander studiemateriaal € 800
De aanschaf voor de tablet is uitgezonderd, art. 6.27 lid 4 letter a Wet IB € -
De reiskosten, de kosten van de inrichting studeerkamer
en eten en drinken zijn niet aftrekbaar € –
Voor aftrek komt in aanmerking € 3.000
Verminderd met de drempel, art. 6.30 lid 1 Wet IB € 250
Zodat aftrekbaar is € 2.750
Omdat Alwin al 35 jaar oud is, kan hij geen standaard studieperiode meer ‘aanwijzen’. Maar dat zou
ook geen nut hebben omdat Alwin de drempel van € 15.000 lang niet bereikt.
Opgave 8.6
a. Allereerst dient te worden gesteld dat het pand aan de voorwaarden van art. 6 of art. 7 van de
Monumentenwet moet voldoen (art. 6.31 lid 2 Wet IB).
Dan mogen onderhoudskosten worden opgevoerd. De zogenoemde huurderslasten, die bij verhuur
voor rekening van de huurder zouden komen, zijn van aftrek uitgesloten. Denk hierbij aan
behangen, stoffering en kleine reparaties van bijvoorbeeld hang- en sluitwerk.
De materiaalkosten zijn€ 25.000. Daarvan is € 20.000 (80%) aftrekbaar.
b. Wanneer Rense en Alina fiscale partner zijn, mogen ze de persoonsgebonden aftrek verdelen in de
verhouding die ze zelf wensen, art. 2.17 leden 1 en 5 letter c Wet IB. Ze zullen daarbij rekening
houden met de progressie in het tarief van box 1.
2
© Convoy Uitgevers