Colleges Kinder en Jeugd Psychopathology
College 1. Theoretische modellen van normale en abnormale ontwikkeling
Ontwikkeling
Belangrijk veranderingen in organismen zijn bepaalde organismen aan verbonden → dimensies die
invloed hebben op levensloop op mensen: rijping/leren
Tijdelijke veranderingen horen niet bij ontwikkeling gerekend
Rijping: ontplooing organisme biologisch, niet erg afhankelijk van omgeving. Lopen door alle
ontwikkelingen heen
Theorien van ontwikkeling: beschrijven en onderzoeken hoe het in elkaar zit.
Domeinen van ontwikkeling
Domeinen los van elkaar bestuderen → maar zijn allemaal met elkaar verbonden→ vorderingen ene
domein vorderen ook in andere domein.
In 1 domein verstoring → consequenties vordering andere domeinen.
- Fysieke: biologische ontwikkeling kind: lichamelijk (hersenen botten spieren, veranderingen hoe
we lichaam gebruiken → motorische ontwikkeling, seksuele ontwikkeling
- Cognitief: leren, probleemoplossing, informatie verwerken en opslaan, taalontwikkeling.
- Psychosociale: persoonlijkheidsontwikkeling: emotionele ontwikkeling, relaties met
leeftijdgenoten, zelfbeeld
Kenmerken goede theorie
, - Beknoptheid: elke theorie over ontwikkeling gaat uit van aantal basis aannames om zo te
verklaren over de werkelijkheid → hoe minder nodig om te verklaren hoe waardevoller de
theorie. (dus hoe meer basisaannames hoe slechter)
- Falsifieerbaarheid: Theorie is geldig net zo lang totdat deze theorie wordt verworpen → je moet
de theorie kunnen toetsen (niet allemaal even sterk, Freud)
- Heuristische waarde: goede theorie roept weer nieuwe vragen op → brengt wetenschap vooruit
6 fundamentele kwesties
1. Nature v/s nurture
(aristotelis) → welke rol hebben aanleg/genetica vs opvoeding
Nog steeds sommige theorien daar confronterende antwoorden daarover
→ Kan belangrijke consequenties hebben want stel we gaan alleen uit van erfelijkheid kan het dat we niet
gaan stimuleren op bijv. IQ etc.
→ vaak een interactie tussen de twee in kwesties.
2. Rol sociaal-culturele context
Welke rol speelt sociale context bijv. cultuur, gezin etc.
3. Actieve rol kind? (actief/passief)
Zijn kinderen passieve wezens of zijn ze actief betrokken bij de ontwikkeling (bijv ontwikkeling van taal →
gewoon nadoen van observeren of actief betrokken)
2 theorien differentieren actief:
- Temperaments visie= sterk biologisch bepaald → bijdragen aan ontwikkeling want ook invloed op
hoe ouders weer met je omgaan → actieve ontwikkeling
- Kinderen actief betrokken bij begrijpen van de wereld → plezier manipuleren voorwerpen en
dingen begrijpen → is een interne drive die kinderen hebben.
4. Ontwikkeling verloop: (dis)continue?
- Discontinue: ontwikkeling van kind in een bepaalde stadia kwalitatief anders dan in voorgaande
stadium, en die moet goed beheerst zijn voordat erdoor gegaan kan worden naar volgende
stadium
- Continue: kwantitatief, er komt steeds meer bij.
5. Kritieke perioden?
Organisme gedurende bepaalde afgebakende periode extra gevoelig/desponsief is voor bepaalde
omgevingsinvloeden of het gebrek daaraan.
,Vers. Theorien:
- Hechting risicofactor→ jong kind in eerst levensjaren geen band aan kan gaan met opvoeders →
risicofactor aangaan relaties rest van leven
Debat nog niet opgelost.
6. Interactie domeinen?
Vaak weinig in theorieën doen dit goed
→ Vaak gefocust op bepaalde domeinen
→ Belangrijk want domeinen beïnvloeden elkaar.
5 Benaderingen
1. Leertheoretische benadering
Watson: grondlegger klassieke conditioneringstheorie
Skinner: grondlegger operante theorie
→ beide stromingen verklaren gedrag op basis van fundamentele leerprincipes
→ enorm potenieel bij verklaren van nieuw verworven gedrag
→ kritiek: ontwikkeling emtioneel en taal beschrijven op basis hiervan is dat jaren aan tijd → veel te lang
er moet dus meer bij gebruikt worden
, Klassieke leerprincipes onvoldoende om nieuw gedrag bij kinderen te verklaren → verklaren van
verschillen tussen kinderen agressief gedrag → visie: veel kinderen nieuw gedrag aan leren zonder daar
ook bekrachtiging van gedrag aan toepas is gekomen → gebeurde puur door observeren voorbeeldgedrag
(modelling, SLT etc.)
Vinden aantal intermediere processen plaats:
- -aandacht: kunnen richten op gedrag dat je ziet in je omgeving
- -geheugen: wat je ziet kunnen opslaan
- -motivatie: belangrijk, modellen waarmee een kind zich kan identificeren kind eerder
reproduceren/nadoen
1. Nurture standpunt erg sterk
Bandura afstand daarvan door intermideire processen, gaat uit van interactie
2. Beh: overal zijn die van toepassing op de wereld, soc context is niet belangrijk heeft geen effect
College 1. Theoretische modellen van normale en abnormale ontwikkeling
Ontwikkeling
Belangrijk veranderingen in organismen zijn bepaalde organismen aan verbonden → dimensies die
invloed hebben op levensloop op mensen: rijping/leren
Tijdelijke veranderingen horen niet bij ontwikkeling gerekend
Rijping: ontplooing organisme biologisch, niet erg afhankelijk van omgeving. Lopen door alle
ontwikkelingen heen
Theorien van ontwikkeling: beschrijven en onderzoeken hoe het in elkaar zit.
Domeinen van ontwikkeling
Domeinen los van elkaar bestuderen → maar zijn allemaal met elkaar verbonden→ vorderingen ene
domein vorderen ook in andere domein.
In 1 domein verstoring → consequenties vordering andere domeinen.
- Fysieke: biologische ontwikkeling kind: lichamelijk (hersenen botten spieren, veranderingen hoe
we lichaam gebruiken → motorische ontwikkeling, seksuele ontwikkeling
- Cognitief: leren, probleemoplossing, informatie verwerken en opslaan, taalontwikkeling.
- Psychosociale: persoonlijkheidsontwikkeling: emotionele ontwikkeling, relaties met
leeftijdgenoten, zelfbeeld
Kenmerken goede theorie
, - Beknoptheid: elke theorie over ontwikkeling gaat uit van aantal basis aannames om zo te
verklaren over de werkelijkheid → hoe minder nodig om te verklaren hoe waardevoller de
theorie. (dus hoe meer basisaannames hoe slechter)
- Falsifieerbaarheid: Theorie is geldig net zo lang totdat deze theorie wordt verworpen → je moet
de theorie kunnen toetsen (niet allemaal even sterk, Freud)
- Heuristische waarde: goede theorie roept weer nieuwe vragen op → brengt wetenschap vooruit
6 fundamentele kwesties
1. Nature v/s nurture
(aristotelis) → welke rol hebben aanleg/genetica vs opvoeding
Nog steeds sommige theorien daar confronterende antwoorden daarover
→ Kan belangrijke consequenties hebben want stel we gaan alleen uit van erfelijkheid kan het dat we niet
gaan stimuleren op bijv. IQ etc.
→ vaak een interactie tussen de twee in kwesties.
2. Rol sociaal-culturele context
Welke rol speelt sociale context bijv. cultuur, gezin etc.
3. Actieve rol kind? (actief/passief)
Zijn kinderen passieve wezens of zijn ze actief betrokken bij de ontwikkeling (bijv ontwikkeling van taal →
gewoon nadoen van observeren of actief betrokken)
2 theorien differentieren actief:
- Temperaments visie= sterk biologisch bepaald → bijdragen aan ontwikkeling want ook invloed op
hoe ouders weer met je omgaan → actieve ontwikkeling
- Kinderen actief betrokken bij begrijpen van de wereld → plezier manipuleren voorwerpen en
dingen begrijpen → is een interne drive die kinderen hebben.
4. Ontwikkeling verloop: (dis)continue?
- Discontinue: ontwikkeling van kind in een bepaalde stadia kwalitatief anders dan in voorgaande
stadium, en die moet goed beheerst zijn voordat erdoor gegaan kan worden naar volgende
stadium
- Continue: kwantitatief, er komt steeds meer bij.
5. Kritieke perioden?
Organisme gedurende bepaalde afgebakende periode extra gevoelig/desponsief is voor bepaalde
omgevingsinvloeden of het gebrek daaraan.
,Vers. Theorien:
- Hechting risicofactor→ jong kind in eerst levensjaren geen band aan kan gaan met opvoeders →
risicofactor aangaan relaties rest van leven
Debat nog niet opgelost.
6. Interactie domeinen?
Vaak weinig in theorieën doen dit goed
→ Vaak gefocust op bepaalde domeinen
→ Belangrijk want domeinen beïnvloeden elkaar.
5 Benaderingen
1. Leertheoretische benadering
Watson: grondlegger klassieke conditioneringstheorie
Skinner: grondlegger operante theorie
→ beide stromingen verklaren gedrag op basis van fundamentele leerprincipes
→ enorm potenieel bij verklaren van nieuw verworven gedrag
→ kritiek: ontwikkeling emtioneel en taal beschrijven op basis hiervan is dat jaren aan tijd → veel te lang
er moet dus meer bij gebruikt worden
, Klassieke leerprincipes onvoldoende om nieuw gedrag bij kinderen te verklaren → verklaren van
verschillen tussen kinderen agressief gedrag → visie: veel kinderen nieuw gedrag aan leren zonder daar
ook bekrachtiging van gedrag aan toepas is gekomen → gebeurde puur door observeren voorbeeldgedrag
(modelling, SLT etc.)
Vinden aantal intermediere processen plaats:
- -aandacht: kunnen richten op gedrag dat je ziet in je omgeving
- -geheugen: wat je ziet kunnen opslaan
- -motivatie: belangrijk, modellen waarmee een kind zich kan identificeren kind eerder
reproduceren/nadoen
1. Nurture standpunt erg sterk
Bandura afstand daarvan door intermideire processen, gaat uit van interactie
2. Beh: overal zijn die van toepassing op de wereld, soc context is niet belangrijk heeft geen effect