Organisatieniveaus
Organel
→ deel van een cel dat naar bouw en functie te onderscheiden is
Cel
→ kleinste ‘levende’ deel
Weefsel
→ groep cellen met dezelfde vorm en functie
Orgaan
→ deel van een organisme met specifieke bouw en functie
Organenstelsel
→ groep samenwerkende organen
Organisme
→ een levend wezen
Populatie
→ groep individuen van dezelfde soort die onderling voortplanten
Levensgemeenschap
→ populatie van verschillende soorten die samenleven
Ecosysteem
→ afgebakend gebied met organismen en biotische en abiotische factoren als
complexe
zelfstandige eenheid
Biosfeer
→ leefbare laag om aarde/ alle ecosystemen samen
Atmosfeer
→ laag met druk/ zwaartekracht
, Samenvatting Biologie vwo 4
Hoofdstuk 1 Gedrag
§1.1 Dierenwelzijn
Gedrag => alles wat dieren of mensen doen of laten
→ gedragsonderzoek (= ethologie) onderzoekt reacties van dieren in
verschillende situaties
→ natuurwetenschappelijk onderzoek met stappenplan
Gedrag ontstaat → reactie op inwendige of uitwendige prikkels
• Inwendige prikkel = van binnenuit (bv hormonen, honger- en dorstgevoel)
• Uitwendige prikkel = van buitenaf (bv bewegingen, geur en geluiden)
→ inwendige en uitwendige prikkels vormen motiverende factoren
→ als motivatie hoog genoeg is → drempelwaarde wordt bereikt
Gedrag bestaat uit verschillende delen:
• Gedragseenheden (of -elementen) → verschillende aparte handelingen
• Gedragsketen (of subsystemen) → vaste volgorde gedragseenheden
• Gedragssysteem → meerdere samenhangende gedragsketens
- gedragssysteem = grote eenheden
- subsysteem = onderdeel van gedragssoort
- gedragselement = kleinste eenheden van gedrag
Onderzoekers onderzoeken de functies van gedrag
=> Overleven van individu/ overleven van soort
§1.2 Gedrag bestuderen
Gedragsonderzoekers doen objectief onderzoek
• Bekijken welke prikkels dier ontvangt (= input) + en welk gedrag dan optreed
(= output)
• Ze zorgen dat antropomorfisme (= subjectieve menselijke benadering van
diergedrag) geen rol speelt
Beschrijvend onderzoek dmv ethogrammen en protocollen
• Ethogram = lijst van gedragselementen
• Protecollen = overzicht gedragselementen die uitgevoerd worden (bv tijd,
hoeveelheid)
Invloeden die gedrag oproepen zijn prikkels
• Sleutelprikkels = essentiële prikkel die steeds eenzelfde gedrag oproept
→ drempelwaarde = laag
• Supernormale prikkels = versterkte sleutelprikkels die zorgen voor versterkte
reacties)
→ drempelwaarde = nog lager
In gevoelige periode wordt bepaald gedrag makkelijk aangeleerd/ of moet dan
worden aangeleerd
→ inprenting (= leren dat alleen kan in die gevoelige periode) → er zit een
tijdsaspect in
§1.3 Communicatie en gedrag
Signalen = prikkels die andere soorten niet snappen)
→ ethologen gebruiken antropomorfe termen niet → wel beschrijvende termen
, Samenvatting Biologie vwo 4
Rituelen = serie gedragseenheden die van tevoren vaststaat en dient als
voorbereiding op eigenlijk gedrag
- Bij dieren: geven van signalen die als sleutelprikkels dienen
- Ritueel gedrag dat leidt tot paringsgedrag → balts
Verschillende soorten conflictgedrag → als intern conflict
• Overspronggedrag → er is een innerlijk conflict tussen twee tegengestelde
gedragssystemen waardoor je gedrag vertoont dat niet bij de situatie past
• Ambivalent gedrag → gedrag dat is samengesteld uit handelingen van twee of
meer gedragssystemen, om de beurt ‘wint’ een van de gedragssystemen het
• Omgericht gedrag → hierbij wordt de agressie gericht op iets anders dan de
oorspronkelijke persoon/soortgenoot waar iets of iemand boos op was
Misverstanden in communicatie wanneer zender onjuist signaal geeft/ ontvanger
verkeerd interpreteert → kan fout gaan door ruis, zintuigen en hersencentra
§1.4 Aangeboren of aangeleerd
Gedrag kan aangeboren of aangeleerd zijn:
• Aangeboren gedrag = is vanaf geboorte aanwezig → niet leren
• Aangeleerd gedrag = is niet aangeboren → ontwikkelt door leerproces
Aangeleerd gedrag:
• Gewenning = aangeleerd gedrag → je leert niet meer te reageren op een
bepaalde prikkel
• Imitatie = dieren leren gedrag van soortgenoten na te bootsen
• Inprenting = leren dat alleen kan in die gevoelige periode → er zit een
tijdsaspect in
• Associatief leren = leren door het verband leggen tussen twee verschillende
prikkels
• Trial-and-error gedrag (= proefondervindelijk leren)
• Conditionering = koppelen van prikkels aan een bepaald soort gedrag
waar 1 vd
elementen kunstmatig is
1. Klassieke => onnatuurlijke prikkel aan natuurlijk gedrag
2. Operante => onnatuurlijke prikkel aan onnatuurlijk gedrag
(dresseren)
→ m.b.v. straffen en belonen
Ook bestaat:
• Sociaal gedrag (leren door te spelen → leren omgaan met groepsgenoten)
→ sociaal onaangepaste dieren → sociale problemen (met bv voortplanting,
verzorging)
→ sociale dieren → vaak rangorde tussen soortgenoten → leider = hoogste
hiërarchische
niveau (rangorde zorgt dat gevechten niet nodig zijn
• Inzichtelijk leren (leerervaringen combineren)
§1.5 Gedrag van primaten
Cultuur = individuen binnen een groep vertonen vergelijkbaar gedrag door
imiteren
→ overdracht van regels, normen, waarden, activiteiten en gewoonten van
ouders op kinderen
→ twee voorwaarden nodig:
1. Individuen moeten kunnen imiteren
2. Leven in groepen