5.1 Achtergrondkennis
Luisteren, spreken, lezen en schrijven zijn taalvaardigheden die mensen in staat
stellen zichzelf te uiten, met andere mensen te communiceren en grip te krijgen
op de wereld om hen heen. Lezen en luisteren noemen we receptieve
vaardigheden, spreken en schrijven noemen we productieve vaardigheden. Lezen
en luisteren leveren namelijk geen direct meetbaar product op, wat wel het geval
is bij spreken en schrijven. Daarnaast zijn lezen en schrijven met elkaar
verbonden: je leest altijd iets dat een ander heeft geschreven.
De definitie ‘het achterhalen van de betekenis van geschreven taal’ wordt vaak
gehanteerd als omschrijving van het begrip lezen. Deze definitie zegt niets over
het doel van lezen. Je hebt altijd bepaalde doelen bij het lezen, je hebt
bijvoorbeeld bepaalde informatie nodig. Om deze doelen te bereiken moet je
teksten kunnen begrijpen. Daartoe zet een lezer kennis in. We onderscheiden
twee soorten kennis, kennis van de taal en kennis van de wereld.
Wanneer je goed wilt kunnen lezen is een bepaalde kennis van de taal een
vereiste. We onderscheiden de volgende soorten kennis van taal:
• Orthografische en fonologische kennis: een lezer moet weten hoe hij
letters met elkaar verklankt;
• Morfologische kennis: kennis die betrekking heeft op de opbouw van
woorden;
• Semantische kennis: kennis die ervoor zorgt dat je een woord in een
bepaalde context plaatst;
• Syntactische kennis: kennis waarbij je de volgorde van woorden en
woorddelen en hun relaties kunt plaatsen;
• Tekstuele kennis en pragmatische kennis: kennis die betrekking heeft op
de verschillende soorten teksten en hun functies.
Kennis van taal is niet altijd voldoende. Je hebt ook een bepaalde wereldkennis
nodig om bepaalde boodschappen te kunnen begrijpen. Wanneer een tekst over
voetbal gaat, moet je kennis hebben over de sport in het algemeen. Pas dan kun
je de tekst voldoende interpreteren.
Tijdens het lezen gebeurt er iets bij de lezer. Deze handeling is omschreven door
diverse onderzoekers en verwerkt tot verschillende modellen:
• Het bottom-upmodel: een model dat ervan uitgaat dat lezen verloopt van
letter- en woordherkenning naar begrip;
• Het top-downmodel: een model dat ervanuit gaat dat lezen verloopt van
begrip naar letter-en woordherkenning;
• Het interactieve model: een model dat ervan uitgaat dat de waarheid een
afweging is tussen bovenstaande modellen.
Bekendheid met een onderwerp beïnvloedt het proces van herkennen positief.
Het is daarom zinvol om met beginnende lezers rondom thema’s te werken.
Uit onderzoek is gebleken dat goede lezers zowel kennis van de taal als kennis
van de wereld inzetten om tot een begrip te komen. Lezers doen dat dan als
volgt:
• Een lezer gaat uit van een leesdoel dat hij heeft en zoekt hierbij een tekst die
dit doel kan bereiken;
• Een lezer maakt gebruik van aanwijzingen rondom de tekst;
• Een lezer roept eerder verworven kennis over het onderwerp op;
• Een lezer kiest een bepaalde manier van lezen;
, • Een lezer maakt tijdens het lezen van de tekst gebruik van de talige kennis
die hij heeft;
• Een lezer gaat tijdens het lezen na of hij de tekst nog steeds begrijpt;
• Een lezer bepaalt na het lezen of de tekst zijn leesdoel heeft bereikt.
Hoe meer kinderen participeren in verschillende taalgebruikssituaties, hoe
uitgebreider hun taalvaardigheid is. Dat geldt ook voor geschreven taal. We
krijgen dan te maken met verschillen in leesgedrag die kinderen van huis uit
hebben meegekregen. Kinderen uit gezinnen waar veel aandacht is voor
geschreven teksten hebben een voorsprong op kinderen uit gezinnen waar geen
aandacht aan geschreven tekst wordt besteed. Als docent moet je oog hebben
voor de verschillen in de beginsituaties van kinderen.
Tegenwoordig neemt lezen een belangrijke plaats in op de basisschool. Er wordt
afhankelijk van de visie op taalonderwijs invulling gegeven aan het leesonderwijs.
In de vorige eeuw zag het leesonderwijs er heel anders uit. Halverwege de jaren
zeventig kwam de aandacht voor de functie van lezen op gang. In de jaren
tachtig besefte men dat de meeste kinderen slecht waren in het begrijpend
lezen. Er is toen onderzoek gedaan naar wat goede lezers nu eigenlijk doen.
Hierdoor kwam er aandacht voor leesstrategisch onderwijs.
Lezen heeft drie belangrijke doelen:
• Lezen om te kunnen genieten van lezen;
• Lezen om te kunnen leren;
• Lezen om deel te kunnen nemen aan de maatschappij.
Vandaag de dag is er een duidelijke roep om het technisch leesonderwijs centraal
te stellen. Het hameren op technisch lezen komt voort uit het idee dat technisch
lezen een voorwaarde zou zijn voor het begrijpend lezen. De nadruk op technisch
lezen kan echter ook een negatieve invloed hebben op het tekstbegrip. Tijdens
het leren van lezen wordt de nadruk gelegd op functionele doelen. Een voorbeeld
van een functioneel doel is het achterhalen van informatie.
5.2 Ontwikkelingslijnen van lezen
Om geletterd te worden is het belangrijk dat kinderen ervaringen opdoen met het
plezier dat geschreven taal kan verschaffen. Een voorbeeld hiervan is het
voorlezen van kinderen, een voor de hand liggende activiteit die bij kan dragen
aan het opdoen van ervaring met geschreven taal. Andere voorbeelden zijn het
gezamenlijk schrijven van kaartjes en e-mails.
Door middel van voorbeelden ontdekken kinderen dat je door middel van lezen
en schrijven boodschappen kunt doorgeven. Een voorbeeld hiervan is om briefjes
van de juf via kinderen aan ouders te bezorgen. Hierdoor leren kinderen dat
geschreven taal een boodschap heeft.
Wanneer kinderen technisch leren lezen en schrijven wordt er onderscheid
gemaakt tussen de klankzuivere-en de niet-klankzuiverefase. Tijdens de
klankzuiverefase gaat het erom dat kinderen elementaire leeshandelingen
leren. Ze kunnen dan verbanden leggen tussen een letter en een klank.
Tijdens zo’n elementaire leeshandeling komen de volgende elementen aan bod:
Auditieve synthese: het in de juiste volgorde plakken van verklankte letters;
Elementaire leeshandeling: Het lezen van links naar rechts;
Visuele discriminatie; De teken-klankkoppeling.