Soorten krachten:
1. Veerkracht Fv
Ontstaat als elastische voorwerpen worden vervormd. Als je een veerkrachtig
materiaal indrukt of uitrekt, voel je dat het materiaal terug duwt of trekt. (uitrekken
van elastiek).
2. Spierkracht Fsp
Ontstaat door het spannen van je spieren (dichtdoen van een deur, je handen
oefenen kracht uit op de deur).
3. Zwaartekracht Fz
Aantrekkende kracht die de aarde op voorwerpen uitoefent. (voorwerp die je laat
vallen, valt naar beneden).
4. Normaalkracht Fn
De kracht die de ondergrond op een voorwerp uitoefent.
Eenheid van kracht = newton (N)
Gevolgen van krachtwerking:
- Een voorwerp kan vervormen als er een kracht op werkt. De vervorming kan
elastisch zijn: als de kracht niet meer werkt, keert de oorspronkelijke vorm van het
voorwerp weer terug (elastiekje). Of het kan plastisch zijn: het voorwerp wordt
blijvend vervormd (botsing auto’s).
- De beweging van een voorwerp kan veranderen als er een kracht op werkt. Bijv: een
voetbalwedstrijd, waarbij de snelheid van de bal wordt vergroot of verkleind, of
waarbij de bal van richting wordt veranderd.
Krachten tekenen:
1. De richting van de pijl (vector) geeft aan in welke richting de kracht werkt.
2. De plaats waar je de pijl laat beginnen, het aangrijpingspunt, geeft de plaats aan
waar de kracht wordt uitgeoefend.
3. De lengte van de pijl geef aan hoe groot de kracht is.
Krachtenschaal, bijv: 1 cm = 500N
Resultante = de kracht die hetzelfde gevolg heeft als alle krachten samen. Kan je
berekenen door alle krachten bij elkaar op te tellen. Je moet rekening houden met de
richting. Je kunt de krachten naar links negatief tellen en de krachten naar rechts positief
(zie afbeelding).
1