H2 CHEMISCHE BINDINGEN SCHEIKUNDE 4 VWO.
§2.1 Atoombinding
Atoombinding; bindingen waarmee atomen in moleculen zijn verbonden, ontstaan bij het
delen van een elektronenpaar (gemeenschappelijk elektronenpaar) door twee atomen: de
elektronenschillen overlappen beide atomen, waarin ze beide een elektron plaatsen. Bij het
verbreken van atoombindingen -> ontstaan nieuwe moleculen; chemische reactie. Aantal
atoombindingen, ook wel covalente binding, dat een atoom kan vormen; covalentie.
Structuurformule maakt duidelijk hoe de atomen in een molecuul onderling zijn verbonden.
Atoombinding wordt aangegeven met een streepje en de atomen met hun symbolen. De
covalentie, zie tabel, geeft aan hoeveel streepjes de atoomsoort krijgt. Voorbeelden:
H2S ->
N2 ->
Elementen; geven zowel een atoomsoort als een stof met deeltjes (moleculen) die meestal
maar uit één atoomsoort bestaan aan. Uitzonderingen zijn deze zeven twee-atomige
moleculen:
, Verbinding; moleculen die > dan één atoomsoort bevatten. Het aantal verschillende atomen
staat hier los van het aantal atomen dat in een element kan voorkomen:
Naamgeving verbindingen:
Systematische naam; benaming die volgens vastgestelde regels internationaal is
opgesteld van een molecuulformule die twee verschillende atoomsoorten bevat
(verbinding). Hierbij horen drie afspraken:
1. De eerste atoomsoort in de molecuulformule krijgt een eigen naam.
2. De tweede atoomsoort krijgt de uitgang -ide, wijkt soms iets af -> -oxide (zuurstof)/-
sulfide (zwavel).
§2.1 Atoombinding
Atoombinding; bindingen waarmee atomen in moleculen zijn verbonden, ontstaan bij het
delen van een elektronenpaar (gemeenschappelijk elektronenpaar) door twee atomen: de
elektronenschillen overlappen beide atomen, waarin ze beide een elektron plaatsen. Bij het
verbreken van atoombindingen -> ontstaan nieuwe moleculen; chemische reactie. Aantal
atoombindingen, ook wel covalente binding, dat een atoom kan vormen; covalentie.
Structuurformule maakt duidelijk hoe de atomen in een molecuul onderling zijn verbonden.
Atoombinding wordt aangegeven met een streepje en de atomen met hun symbolen. De
covalentie, zie tabel, geeft aan hoeveel streepjes de atoomsoort krijgt. Voorbeelden:
H2S ->
N2 ->
Elementen; geven zowel een atoomsoort als een stof met deeltjes (moleculen) die meestal
maar uit één atoomsoort bestaan aan. Uitzonderingen zijn deze zeven twee-atomige
moleculen:
, Verbinding; moleculen die > dan één atoomsoort bevatten. Het aantal verschillende atomen
staat hier los van het aantal atomen dat in een element kan voorkomen:
Naamgeving verbindingen:
Systematische naam; benaming die volgens vastgestelde regels internationaal is
opgesteld van een molecuulformule die twee verschillende atoomsoorten bevat
(verbinding). Hierbij horen drie afspraken:
1. De eerste atoomsoort in de molecuulformule krijgt een eigen naam.
2. De tweede atoomsoort krijgt de uitgang -ide, wijkt soms iets af -> -oxide (zuurstof)/-
sulfide (zwavel).