ZSA Diagnostiek bij moeheid
(kinderarts)
• Chronische vermoeidheid = ‘onvoldoende verklaarde langdurige vermoeidheid, met
onvoldoende bijkomende symptomen om aan de criteria van het chronische vermoeidheids-
syndroom te voldoen.’
• Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)
• Hoofdcriteria: onverklaarbare vermoeidheid, continu aanwezig of steeds
terugkomend, die nieuw is of een duidelijk begin heeft (niet hele leven aanwezig), niet
het resultaat is van voortdurende belasting en niet verminderd bij rust, en die leidt tot
aanzienlijke afname van vroegere activiteitenniveau.
• Nevencriteria: ten minste 4 van de volgende voor minimaal 6 maanden
• keelpijn,
• concentratiestoornissen en of geheugenstoornissen,
• gevoelige cervicale en axillaire lymfeklieren,
• spierpijn,
• gewrichtspijn zonder zwelling of roodheid
• Hoofdpijn die qua vorm, patroon en ernst nieuw is,
• Slaap waar pt niet van uitrust
• Malaisegevoel na inspanning dat langer dan 24 uur aanhoudt.
• Exclusiecriteria: vermoeidheid niet verklaarbaar door een andere somatische of
psychische aandoening.
• Prevalentie chronische moeheid
• Populatiestudies rapporteerden bij achtjarigen 23% vermoeidheidsklachten bij meisjes
en 24% bij jongens.
• Onder tieners komt moeheid frequenter voor en de prevalentie neemt toe met de
leeftijd. Van de tieners voelde 34% zich de voorgaande maand ‘veel meer vermoeid
dan gebruikelijk’.
• Ernstige vermoeidheid met beperkingen in het dagelijks leven en een chronisch
karakter van de vermoeidheid (CVS) komt tussen 0,4% (duur van de klachten minstens
zes maanden) en 2,4% (duur minstens drie maanden) voor.
• De prevalentie van chronische vermoeidheid in populatiestudies is hoger dan die in
studies met rapportage van huisarts en (Nederlandse) kinderartsen (0,06-0,1%).
• Aanvullend onderzoek chronische moeheid
• Laboratoriumonderzoek: de volgende bepalingen worden geadviseerd bij de
afwezigheid van alarmsymptomen:
• Ferritine
• TSH en T4
• Glucose
• Kreatinine
• ALAT, bilirubine
• Gamma GT
• Alkalisch fosfatase
• Urine op Leuko’s, eiwit en erytrocyten
• Coeliakie serologie
• IgA
• Natrium, kalium, calcium
• Albumine
(kinderarts)
• Chronische vermoeidheid = ‘onvoldoende verklaarde langdurige vermoeidheid, met
onvoldoende bijkomende symptomen om aan de criteria van het chronische vermoeidheids-
syndroom te voldoen.’
• Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)
• Hoofdcriteria: onverklaarbare vermoeidheid, continu aanwezig of steeds
terugkomend, die nieuw is of een duidelijk begin heeft (niet hele leven aanwezig), niet
het resultaat is van voortdurende belasting en niet verminderd bij rust, en die leidt tot
aanzienlijke afname van vroegere activiteitenniveau.
• Nevencriteria: ten minste 4 van de volgende voor minimaal 6 maanden
• keelpijn,
• concentratiestoornissen en of geheugenstoornissen,
• gevoelige cervicale en axillaire lymfeklieren,
• spierpijn,
• gewrichtspijn zonder zwelling of roodheid
• Hoofdpijn die qua vorm, patroon en ernst nieuw is,
• Slaap waar pt niet van uitrust
• Malaisegevoel na inspanning dat langer dan 24 uur aanhoudt.
• Exclusiecriteria: vermoeidheid niet verklaarbaar door een andere somatische of
psychische aandoening.
• Prevalentie chronische moeheid
• Populatiestudies rapporteerden bij achtjarigen 23% vermoeidheidsklachten bij meisjes
en 24% bij jongens.
• Onder tieners komt moeheid frequenter voor en de prevalentie neemt toe met de
leeftijd. Van de tieners voelde 34% zich de voorgaande maand ‘veel meer vermoeid
dan gebruikelijk’.
• Ernstige vermoeidheid met beperkingen in het dagelijks leven en een chronisch
karakter van de vermoeidheid (CVS) komt tussen 0,4% (duur van de klachten minstens
zes maanden) en 2,4% (duur minstens drie maanden) voor.
• De prevalentie van chronische vermoeidheid in populatiestudies is hoger dan die in
studies met rapportage van huisarts en (Nederlandse) kinderartsen (0,06-0,1%).
• Aanvullend onderzoek chronische moeheid
• Laboratoriumonderzoek: de volgende bepalingen worden geadviseerd bij de
afwezigheid van alarmsymptomen:
• Ferritine
• TSH en T4
• Glucose
• Kreatinine
• ALAT, bilirubine
• Gamma GT
• Alkalisch fosfatase
• Urine op Leuko’s, eiwit en erytrocyten
• Coeliakie serologie
• IgA
• Natrium, kalium, calcium
• Albumine