Hoorcollege 2........................................................................................................................................................................1
Beperkte genotsrechten....................................................................................................................................................1
Kettingbeding................................................................................................................................................................ 1
Vestiging........................................................................................................................................................................ 2
Beperkte zekerheidsrechten.............................................................................................................................................3
Persoonlijke zekerheden...............................................................................................................................................3
Vestiging........................................................................................................................................................................ 3
Eigendomsvoorbehoud.....................................................................................................................................................3
Hoorcollege 2
Beperkte genotsrechten
Erfdienstbaarheid: 5:70 lid 1.
Een last die opgelegd wordt aan een onroerende zaak (dienend erf), ten behoeve van een andere onroerende zaak (heersend erf).
Je hebt dus altijd twee onroerende zaken nodig. En aan één van deze zaken wordt een 'last' gebracht.
De vorm van deze last is beperkt door de wet. Het kan alleen gaan om een negatieve verplichting (dulden of niet-doen) (5:71 lid 1, eerste
zin). In uitzonderlijke situaties kan dit bestaan in een 'doen' (5:71 lid 1, tweede zin/ 5:71 lid 2).
Let wel op: de uitzondering van 5:71 lid 1 is 'bovendien', dus deze vindt plaats samen met de negatieve verplichting. De uitzondering van
5:71 lid 2 is een onafhankelijke verplichting, mits deze op het dienend erf zit.
Stel er is een erf A en erf B. Hierop zit een erfdienstbaarheid en B mag over het erf van A.
Stel het erf van A wordt verkocht, dan kennen we zaaksgevolg. B mag zijn erfdienstbaarheid nog steeds uitoefenen tegenover de nieuwe eigenaar.
Stel het erf van B wordt verkocht, dan kan de nieuwe eigenaar van B alsnog de erfdienstbaarheid jegens A uitoefenen door afhankelijkheid (3:7 jo.
3:82).
Zaaksgevolg= je kan het recht op een goed overal uitoefenen, onder wie of waar zich deze ook bevindt.
Zaaksgevolg en afhankelijkheid zorgen dus voor dezelfde rechtsgevolgen, namelijk het rechtsgevolg gaat mee over. Maar de grondslagen voor
beide zijn dus wel verschillend.
Hieronder valt ook een eventuele afgesproken retributie. Stel de nieuwe eigenaar is het hier niet mee eens, dan kan de erfdienstbaarheid altijd
tussen de nieuwe partijen worden gewijzigd.
Dit zijn algemene beginselen en zijn dus ook van belang voor alle hierna te bespreken beperkte genotsrechten.
Kwalitatieve verplichting: 6:252
Iedere toekomstige van het goed, zal de overeengekomen verplichting moeten nakomen. Deze verplichting is dus verbonden aan het goed.
Let op: deze last mag alleen een negatieve verplichting inhouden.
Het verschil met de erfdienstbaarheid is dat er bij de kwalitatieve verplichting geen twee erven nodig zijn, hier gaat het om de verhouding tussen
één onroerende zaak, en een last ten behoeve van een persoon, dus niet een ander erf.
Hoe zit het hier dan met een eventuele nieuwe eigenaar? Dit is hetzelfde als bij de erfdienstbaarheid. Aan een onroerende zaak wordt een
verplichting gelegd, die mee zal overgaan tot nieuwe eigenaren.
Stel de persoon geeft zijn onroerende goed over, kan de nieuwe eigenaar de kwalitatieve verplichting dan ook gebruiken/er aan gehouden
worden? De verplichting is overigens niet verbonden aan de grond, maar aan een specifieke persoon. Slechts deze persoon kan dus aanspraak
maken op de neergelegde kwalitatieve verplichting.
Bij de kwalitatieve verplichting aan de actieve zijde vindt geen automatische overdracht plaats.
Bij de kwalitatieve verplichting aan de passieve zijde vindt wel automatische overdracht plaats.
Als het registergoed, waaraan de verplichting is opgelegd, wordt overgedragen, gaat de verplichting, de last die daarop rust, automatisch over.
Kettingbeding
Wat is het verschil tussen het automatisch meegaan van erfdienstbaarheid en kwalitatieve verplichting met het kettingbeding.
Bij de erfdienstbaarheid en kwalitatieve verplichting gaat de last om te dulden automatisch mee overgaan, zoals gezegd. Bij het kettingbeding ben
je volledig afhankelijk van alle betrokken partijen bij de 'ketting'. Als een iemand de verplichting niet aanvaard of oplegt aan de opvolger, ben je
klaar.
Een pluspunt van het kettingbeding gaat over de inhoud. De andere twee hebben slechts betrekking op een negatieve verplichting. Bij een
kettingbeding kan het ook gaan over een positieve verplichting.
Oefenvraag slide 13:
a. Het is hier onduidelijk of er twee erven zijn en of Jansen eigenaar is van een erf die eventueel als heersend erf zou kunnen dienen.
Beperkte genotsrechten....................................................................................................................................................1
Kettingbeding................................................................................................................................................................ 1
Vestiging........................................................................................................................................................................ 2
Beperkte zekerheidsrechten.............................................................................................................................................3
Persoonlijke zekerheden...............................................................................................................................................3
Vestiging........................................................................................................................................................................ 3
Eigendomsvoorbehoud.....................................................................................................................................................3
Hoorcollege 2
Beperkte genotsrechten
Erfdienstbaarheid: 5:70 lid 1.
Een last die opgelegd wordt aan een onroerende zaak (dienend erf), ten behoeve van een andere onroerende zaak (heersend erf).
Je hebt dus altijd twee onroerende zaken nodig. En aan één van deze zaken wordt een 'last' gebracht.
De vorm van deze last is beperkt door de wet. Het kan alleen gaan om een negatieve verplichting (dulden of niet-doen) (5:71 lid 1, eerste
zin). In uitzonderlijke situaties kan dit bestaan in een 'doen' (5:71 lid 1, tweede zin/ 5:71 lid 2).
Let wel op: de uitzondering van 5:71 lid 1 is 'bovendien', dus deze vindt plaats samen met de negatieve verplichting. De uitzondering van
5:71 lid 2 is een onafhankelijke verplichting, mits deze op het dienend erf zit.
Stel er is een erf A en erf B. Hierop zit een erfdienstbaarheid en B mag over het erf van A.
Stel het erf van A wordt verkocht, dan kennen we zaaksgevolg. B mag zijn erfdienstbaarheid nog steeds uitoefenen tegenover de nieuwe eigenaar.
Stel het erf van B wordt verkocht, dan kan de nieuwe eigenaar van B alsnog de erfdienstbaarheid jegens A uitoefenen door afhankelijkheid (3:7 jo.
3:82).
Zaaksgevolg= je kan het recht op een goed overal uitoefenen, onder wie of waar zich deze ook bevindt.
Zaaksgevolg en afhankelijkheid zorgen dus voor dezelfde rechtsgevolgen, namelijk het rechtsgevolg gaat mee over. Maar de grondslagen voor
beide zijn dus wel verschillend.
Hieronder valt ook een eventuele afgesproken retributie. Stel de nieuwe eigenaar is het hier niet mee eens, dan kan de erfdienstbaarheid altijd
tussen de nieuwe partijen worden gewijzigd.
Dit zijn algemene beginselen en zijn dus ook van belang voor alle hierna te bespreken beperkte genotsrechten.
Kwalitatieve verplichting: 6:252
Iedere toekomstige van het goed, zal de overeengekomen verplichting moeten nakomen. Deze verplichting is dus verbonden aan het goed.
Let op: deze last mag alleen een negatieve verplichting inhouden.
Het verschil met de erfdienstbaarheid is dat er bij de kwalitatieve verplichting geen twee erven nodig zijn, hier gaat het om de verhouding tussen
één onroerende zaak, en een last ten behoeve van een persoon, dus niet een ander erf.
Hoe zit het hier dan met een eventuele nieuwe eigenaar? Dit is hetzelfde als bij de erfdienstbaarheid. Aan een onroerende zaak wordt een
verplichting gelegd, die mee zal overgaan tot nieuwe eigenaren.
Stel de persoon geeft zijn onroerende goed over, kan de nieuwe eigenaar de kwalitatieve verplichting dan ook gebruiken/er aan gehouden
worden? De verplichting is overigens niet verbonden aan de grond, maar aan een specifieke persoon. Slechts deze persoon kan dus aanspraak
maken op de neergelegde kwalitatieve verplichting.
Bij de kwalitatieve verplichting aan de actieve zijde vindt geen automatische overdracht plaats.
Bij de kwalitatieve verplichting aan de passieve zijde vindt wel automatische overdracht plaats.
Als het registergoed, waaraan de verplichting is opgelegd, wordt overgedragen, gaat de verplichting, de last die daarop rust, automatisch over.
Kettingbeding
Wat is het verschil tussen het automatisch meegaan van erfdienstbaarheid en kwalitatieve verplichting met het kettingbeding.
Bij de erfdienstbaarheid en kwalitatieve verplichting gaat de last om te dulden automatisch mee overgaan, zoals gezegd. Bij het kettingbeding ben
je volledig afhankelijk van alle betrokken partijen bij de 'ketting'. Als een iemand de verplichting niet aanvaard of oplegt aan de opvolger, ben je
klaar.
Een pluspunt van het kettingbeding gaat over de inhoud. De andere twee hebben slechts betrekking op een negatieve verplichting. Bij een
kettingbeding kan het ook gaan over een positieve verplichting.
Oefenvraag slide 13:
a. Het is hier onduidelijk of er twee erven zijn en of Jansen eigenaar is van een erf die eventueel als heersend erf zou kunnen dienen.