Onderzoeken gaat zo: Probleem analyseren Ontwerpen Data
verzamelen Data analyseren Evalueren in de vorm van een
rapportage (verslag)
Er zijn twee soorten onderzoek: Fundamenteel of Praktijkgericht
onderzoek.
Fundamenteel = Universitair; een kennisvraag; niet primair gericht op de
praktijk
Praktijkgericht = HBO; oplossen van een praktijkvraag;
Ze kunnen elkaar overlappen en daarom is de lijn niet helemaal zuiver.
Ook wordt er onderscheid gemaakt tussen kwantitatief en kwalitatief
onderzoek.
Kwantitatief = Cijfermatig, statistisch, heel stellig Bied meer precisie
Kwalitatief = Flexibeler, kijken naar het geheel, hollisme; Bied meer
diepgang
Kwalitatieve en kwantitatieve methoden combineren heet triangulatie.
Je kan onderzoek op twee manieren uitvoeren: Inductief of Deductief:
Inductief = Theorie ontwikkelen, kwalitatief, iteratie
(herhaalbaarheid=key)
Deductief = Gebruiken van bestaande gegevens; kwantitatief.
Voorbeelden hiervan zijn theorie controleren, toetsen.
Er zijn 3 verschillende stromingen in het onderzoek met verschillende
uitgangspunten:
- Empirisch-analytisch: Volledig statistisch; kaal (niet diepgaand);
kwantitatief
- Interpretatief: Minder cijfermatig; kwalitatief; diepgaander
- Kritisch-Emancipatorisch: Kwalitatief of kwantitatief zolang het maar
kritisch is
Er zijn verschillende onderzoekscriteria waar een onderzoek aan moet
voldoen:
- Onafhankelijk: volledig objectief en intersubjectief; onderzoekers met
elkaar eens
- Toetsbaarheid: Moeten waar te nemen zijn (feitelijk)
CONTROLEERBAAR
- Betrouwbaar: Moet er geloofwaardig uit zien dus weinig toevallige
fouten
- Maximaal informatief
- Generaliseerbaar: Moet kunnen gelden voor een groep, personen of
situaties
- Validiteit: Geen systematische fouten waardoor conclusie fout is
Zuiverheid
- Praktisch: Efficiënt & Bruikbaar
Met de empirische cyclus word bedoeld dat een conclusie van een
onderzoek weer nieuwe vragen oproept. Deze nieuwe vragen kunnen weer
onderzocht worden, etc.
Eenheden = Alle personen, elementen, etc. waarover je in je onderzoek
uitspraken doet
, Domein = Het hele ‘gebied’ waarop je onderzoek betrekking heeft
Datamatrix = Bestand met allerlei data; werkblad Excel met gegevens
Hoofdstuk 2 – Aanleiding tot het Onderzoek
De onderzoeksvragen zijn:
Je kunt aan een onderzoek komen door vrije keuze, praktijkopdrachten
voor school, etc.
Je kan dus zelf de opdrachtgever zijn, maar dit kan ook je opleiding of
een bedrijf zijn.
De aanleiding kan dus een theorie willen testen (zelf) of een praktijkvraag
oplossen. ^
Afbakening van het onderzoek = De vraag van de opdrachtgever
vertalen naar een onderzoekbare vraag. --- De probleemanalyse bestaat
uit:
- De vraag van de opdrachtgever
- De afbakening; (vraag & doel)
- Mogelijke oplossingen
- Oriëntatie op de opzet
Informatie is het belangrijkst voor onderzoek; informatie wordt
verzameld tijdens:
1) Als onderdeel van het vooronderzoek
2) Als methode bij bijvoorbeeld literatuuronderzoek
3) Als methode om nieuwe informatie te verzamelen
Er zijn zes regels voor het zoeken naar informatie: De zogenaamde Big6.
De Big6 houdt in dat je bij elke zoektocht naar informatie de volgende zes
stappen volgt:
1) Definieer het probleem; formuleer een vraag [welke info heb ik nog
nodig?]
2) Bepaal waar je gaat zoeken: Internet? Bibliotheek? Hangt van je
onderwerp af!
3) Kies de juiste zoekstrategie: Hoe zoek je naar informatie in de
gevonden literatuur?
4) Bestudeer en Selecteer: Neem kennis van de informatie en selecteer
wat je nodig heb
5) Organiseer: Zorg dat het antwoord geeft op je vraag Ordenen op
relevantie
6) Evalueer het resultaat: Voldoende informatie verzameld of moet je
meer opzoeken?