24 maart 2009, 18.00-19.30
Deel 1: goed/fout-vragen
1. Zonder experimenten is de Aristotelische wetenschap ondenkbaar.
(a) goed
(b) fout
2. Aristotelesʼ visie op verklaringen wordt wel een theologische genoedm, aangezien hij voor de
uiteindelijke verklaring van ieder object altijd een beroep doet op God.
(a) goed
(b) fout
3. Een deductie is een afleiding van een algemene conclusie uit individuele waarnemingen
(a) goed
(b) fout
4. De leden van de Wiener Kreis stonden positief tegenover het idee van een afzonderlijk domein
van de geesteswetenschappen met eigen wetenschappelijke normen.
(a) goed
(b) fout
5. Reductionisme is in het logisch empirisme het idee dat elke betekenisvolle uitspraak herleid
moet kunnen worden tot een uitspraak over directe waarneming.
(a) goed
(b) fout
6. Popper is een conventionalist omdat het accepteren van een basiszin volgens heb uiteindelijk
op een afspraak berust.
(a) goed
(b) fout
7. Ondanks hun verschillende visies op wetenschappelijke kennis delen Popper en Duhem de
overtuiging dat wetenschappers er naar dienen te streven hun theorieën te onderwerpen aan
cruciale tests.
(a) goed
(b) fout
8. Kuhn beschrijft de ontwikkeling van wetenschap als een lineaire historische ontwikkeling waarbij
men de hedendaagse waarheid steeds dichter gaat benaderen.
(a) goed
(b) fout
9. Externalistische benaderingen van wetenschappelijke ontwikkeling benadrukken de wijzen
waarop wetenschappelijke kennis verbonden is met maatschappelijke factoren.
(a) goed
(b) fout
10. Descartesʼ opvatting van de geest speelde een belangrijke rol in het ontstaan van de
geesteswetenschappen.
(a) goed
(b) fout