Hoofdstuk 1: Arbeids- en organisatiepsychologie
1.1 Het belang van Arbeids- en organisatiepsychologie
- ‘Goed werk’ – ‘werk wat een hoog niveau van deskundigheid vertoont’ (Gardner,
2002) en als het regelmatig toepassingen aangaat voor de wereld
- Aangetast werk (compromised werk) – werk dat niet illegaal of onethisch is, maar
gaat kernwaardes van baan tegen
- Arbeids- en organisatiepsychologie (industrial and organizational psychology) –
wetenschappelijke studie naar toepassen van psychologische principes, theorie en
onderzoek op de werkomgeving
- Society for Industrial and Organizational Psychology (SIOP) – A&O psychologen en
andere onderzoekers
- A&O psychologie in drie grote delen verdelen:
1. Personeelspsychologie – ook wel Human Resources Management (HRM) en
houdt zich bezig met aannemen, selecteren, behouden, ontwikkelen mensen
2. Organisatiepsychologie – betrokken bij onderzoek sociale psychologie en
organisatiegedrag -> emotionele en motiverende kant van werk
3. Human engineering – onderzoek naar capaciteiten en beperkingen van mensen
- Wetenschapper-beoefenaar model (scientist-practitioner model) – benadrukt
toepassen van wetenschappelijke kennis
- Telecommuting – werken vanuit huis
- Virtual teams – online samenwerken
- Negeren van young adults is een fout om 2 redenen (Louhhlin & Barling, 2001)
1. Jongere werknemers veel parttime werken
2. Eerste baan veel invloed op hoe je tegen latere werkervaring aankijkt
- A&O onderzoek naar young adults duidt op:
1. Banen met actuele vaardigheden meer bevredigend
2. Niet gebruiken van nieuwe vaardigheden leidt tot gebrek aan interesse in het
werk
3. Jongere werknemers zijn meer open-minded en zijn vaak hoger opgeleid dan
ouderen, daarnaast geen probleem om 24 uur beschikbaar te zijn
1.2 A&O Psychologie: het verleden, heden en toekomst
- Hugo Munsterberg en James Mckeen Cattel – veel invloed gehad op A&O
- Munsterberg – zag potentie voor het oplossen van praktische problemen.
Bekwaamheden werknemers meten en relateren aan werk en als laatste statistiek
toepassen.
- Cattel – verschillen tussen individuen benadrukken als een manier om gedrag te
voorspellen. Daarnaast Stanford-Binet test opgezet.
, - Wetenschappelijk management – volgens Taylor was er één manier het beste
o Gebaseerd op de principes van tijd- en bewegingstudies
- Elton Mayo (1924) – onderzoek gedaan naar emoties van werknemers
o Revery obsession – werk dat geestdodend, herhalend en erg lastig is -> gevolg
werknemers ongelukkig
- Hawthorne studies – productiviteit verhogen door middel van observatie
- Human Relations Movement – focus op werkhoudingen en de emotionele wereld
van de werknemer
- A&O psychologie vandaag de dag
o Mentale capaciteiten
o Productiviteit, efficiëntie en welzijn zijn belangrijk
o Drie belangrijke takken zijn complementair
- APA (American Psychological Association) – grote professionele organisatie
- A&O psychologie moet voldoen aan 4 eisen:
1. Relevant
2. Nuttig
3. Moet in bredere context helpen nadenken
4. Moet gesticht zijn in wetenschappelijke methode
- Onderzoek binnen A&O psychologie kan binnen 4 categorieën vallen:
1. Rotzooiwetenschap (junk science) – onderwerpen fascinerend, onderzoek is
slecht (shoddy)
2. Pragmatische wetenschap – belangrijke onderwerpen, goed opgezet onderzoek
3. Irrelevante wetenschap – onderzoek nauwkeurig, onderwerpen onbelangrijk
4. Hopeloze wetenschap – zowel onderwerp als onderzoek zijn slecht
- Doel A&O – uitvoeren en toepassen van pragmatisch wetenschap
1.3 Multiculturele en cross-culturele problemen
- Cultuur – systeem waarbinnen individuen betekenissen en gewoontes, met
betrekking tot het beschouwen van gebeurtenissen en objecten, delen.
- Culturele mozaïek – fenomeen dat ervan uit gaat dat elk individu eigenlijk een
samenstelling is van verschillende, met elkaar communicerende culturele invloeden
- Global economy – geen enkel land kan bestaan zonder economische connecties met
alle andere landen
- West versus de rest – mentaliteit – theorieën ontwikkelen die relevant zijn voor de
situaties binnen de VS, maar minder geschikt voor andere delen van de wereld
- Expat – manager of professional die op een locaties buiten zijn/haar thuisland werkt
, - Er zijn 2 vormen van cultuur:
1. Collectivistische cultuur – de groep wordt meer gewaardeerd
2. Individualistische cultuur – individu wordt meer gewaardeerd
- Hofstedes theorie stelt dat er 5 basiselementen zijn die culturen van elkaar
onderscheiden:
1. Individualisme/collectivisme – voor jezelf zorgen/in groep blijven
2. Power distance – mate waarin minder machtige leden de oneerlijke verdeling van
macht accepteren en verwachten
3. Uncertainty avoidance – mate waarin leden comfortabel zijn met betrekking tot
ongestructureerde situaties
4. Mannelijkheid/vrouwelijkheid – verdeling emotionele rollen tussen de seksen.
5. Langetermijn- versus korte termijn oriëntatie – in hoeverre leden onmiddelijke
of vertraagede bevrediging verwachten
- Triandis – kwam met variantie op Hofstedes theorie. Kwam een horizontale en
verticale dimensie bij die interactie vertoont met individualisme en collectivisme
Hoofdstuk 4: Baananalyse en werkprestatie
4.1 Het basismodel van prestatie
- Factoren meenemen om prestaties te voorspellen of meten:
o Benodigde tijd om training af te ronden
o Geproduceerde aantallen
o Totaal aantal absente dagen
o Totale waarde van verkoop
o Aantal promoties binnen een bedrijf
- Bij elke factor kan individu weer beperkt worden door de volgende factoren:
o Benodigde tijd – iemand niet op werkplek
o Productie aantal – technologische problemen
o Totaal absente dagen – wel goede redenen?
o Totale waarde verkoop – kortingen?
o Aantal promoties – omzet bedrijf?
- Model van Campbell – factoren die invloed hebben op de werkprestatie
gedetailleerd in beeld brengen. Controleerbaar of niet?
- Prestatie (perfomance) – alle acties en gedraging die relevant zijn voor en bijdragen
aan het doel van de organisatie
- Effectiviteit – evaluatie van de resultaten van de prestatie en kijkt dus niet enkel naar
het gedrag, maar ook naar wat dit gedrag oplevert
- Productiviteit – ratio van effectiviteit (output) en de energie die het kost om deze
effectiviteit te bereiken (input: prestatie)
, - Hiërarchisch model voor werkprestatie (Cambell), 3 determinanten
1. Declaratieve kennis – kennis over feiten
2. Procedurele kennis – weten hoe iets gedaan moet worden
3. Motivatie – keuzes die een individu maakt
- Bekwaamheid, persoonlijkheid, interesse, opleiding, ervaring en motivatie zijn ook
variabelen die invloed hebben op de prestatie
- Cambell – prestatie is te verdelen in 8 basis prestatie-componenten: componenten
zijn determinanten voor prestatie. 3 van deze prestatie-componenten komen in
iedere baan voor:
o Baan-specifieke bekwaamheid – capaciteit om belangrijkste taken uit te
voeren
o Behouden van persoonlijke discipline – mate waarin een persoon negatief
gedrag vermijdt
o Tonen van inzet – consistentie van de inspanning van een individu, blijven
mensen zich altijd inzetten?
- Overige 5 componenten zijn:
o Niet-baan-specifieke taakbekwaamheid
o Geschreven en mondelinge communicatievaardigheden
o Faciliteren van peer- en teamprestaties
o Leiderschapsvaardigheden
o Managementvaardigheden
- Typische prestatie en maximale prestatie
o Typische prestatie – prestatie waarbij niet de volle 100% door het individu is
gegeven
Combinatie van bekwaamheid en motivatie
o Maximale prestatie – het beste wat een werknemer kan doen
Bepaald door bekwaamheid (ability)
- Criterium-deficiëntie – situatie waarbij het gemeten criterium niet volledig is, en er
factoren invloed hebben op de prestatie die niet gemeten worden
- Criterium-contaminatie – gemeten criterium neemt ook informatie mee die niet
gerelateerd is aan de prestatie die gemeten zou moeten worden
- Ultiem criterium (theoretisch criterium) – meet alles wat onder de prestatie valt
- Eigenlijke criterium – hierboven eigenlijk nooit haalbaar dus deze
- Verschil tussen deze 2 criterium tonen de imperfecties van de metingen
1.1 Het belang van Arbeids- en organisatiepsychologie
- ‘Goed werk’ – ‘werk wat een hoog niveau van deskundigheid vertoont’ (Gardner,
2002) en als het regelmatig toepassingen aangaat voor de wereld
- Aangetast werk (compromised werk) – werk dat niet illegaal of onethisch is, maar
gaat kernwaardes van baan tegen
- Arbeids- en organisatiepsychologie (industrial and organizational psychology) –
wetenschappelijke studie naar toepassen van psychologische principes, theorie en
onderzoek op de werkomgeving
- Society for Industrial and Organizational Psychology (SIOP) – A&O psychologen en
andere onderzoekers
- A&O psychologie in drie grote delen verdelen:
1. Personeelspsychologie – ook wel Human Resources Management (HRM) en
houdt zich bezig met aannemen, selecteren, behouden, ontwikkelen mensen
2. Organisatiepsychologie – betrokken bij onderzoek sociale psychologie en
organisatiegedrag -> emotionele en motiverende kant van werk
3. Human engineering – onderzoek naar capaciteiten en beperkingen van mensen
- Wetenschapper-beoefenaar model (scientist-practitioner model) – benadrukt
toepassen van wetenschappelijke kennis
- Telecommuting – werken vanuit huis
- Virtual teams – online samenwerken
- Negeren van young adults is een fout om 2 redenen (Louhhlin & Barling, 2001)
1. Jongere werknemers veel parttime werken
2. Eerste baan veel invloed op hoe je tegen latere werkervaring aankijkt
- A&O onderzoek naar young adults duidt op:
1. Banen met actuele vaardigheden meer bevredigend
2. Niet gebruiken van nieuwe vaardigheden leidt tot gebrek aan interesse in het
werk
3. Jongere werknemers zijn meer open-minded en zijn vaak hoger opgeleid dan
ouderen, daarnaast geen probleem om 24 uur beschikbaar te zijn
1.2 A&O Psychologie: het verleden, heden en toekomst
- Hugo Munsterberg en James Mckeen Cattel – veel invloed gehad op A&O
- Munsterberg – zag potentie voor het oplossen van praktische problemen.
Bekwaamheden werknemers meten en relateren aan werk en als laatste statistiek
toepassen.
- Cattel – verschillen tussen individuen benadrukken als een manier om gedrag te
voorspellen. Daarnaast Stanford-Binet test opgezet.
, - Wetenschappelijk management – volgens Taylor was er één manier het beste
o Gebaseerd op de principes van tijd- en bewegingstudies
- Elton Mayo (1924) – onderzoek gedaan naar emoties van werknemers
o Revery obsession – werk dat geestdodend, herhalend en erg lastig is -> gevolg
werknemers ongelukkig
- Hawthorne studies – productiviteit verhogen door middel van observatie
- Human Relations Movement – focus op werkhoudingen en de emotionele wereld
van de werknemer
- A&O psychologie vandaag de dag
o Mentale capaciteiten
o Productiviteit, efficiëntie en welzijn zijn belangrijk
o Drie belangrijke takken zijn complementair
- APA (American Psychological Association) – grote professionele organisatie
- A&O psychologie moet voldoen aan 4 eisen:
1. Relevant
2. Nuttig
3. Moet in bredere context helpen nadenken
4. Moet gesticht zijn in wetenschappelijke methode
- Onderzoek binnen A&O psychologie kan binnen 4 categorieën vallen:
1. Rotzooiwetenschap (junk science) – onderwerpen fascinerend, onderzoek is
slecht (shoddy)
2. Pragmatische wetenschap – belangrijke onderwerpen, goed opgezet onderzoek
3. Irrelevante wetenschap – onderzoek nauwkeurig, onderwerpen onbelangrijk
4. Hopeloze wetenschap – zowel onderwerp als onderzoek zijn slecht
- Doel A&O – uitvoeren en toepassen van pragmatisch wetenschap
1.3 Multiculturele en cross-culturele problemen
- Cultuur – systeem waarbinnen individuen betekenissen en gewoontes, met
betrekking tot het beschouwen van gebeurtenissen en objecten, delen.
- Culturele mozaïek – fenomeen dat ervan uit gaat dat elk individu eigenlijk een
samenstelling is van verschillende, met elkaar communicerende culturele invloeden
- Global economy – geen enkel land kan bestaan zonder economische connecties met
alle andere landen
- West versus de rest – mentaliteit – theorieën ontwikkelen die relevant zijn voor de
situaties binnen de VS, maar minder geschikt voor andere delen van de wereld
- Expat – manager of professional die op een locaties buiten zijn/haar thuisland werkt
, - Er zijn 2 vormen van cultuur:
1. Collectivistische cultuur – de groep wordt meer gewaardeerd
2. Individualistische cultuur – individu wordt meer gewaardeerd
- Hofstedes theorie stelt dat er 5 basiselementen zijn die culturen van elkaar
onderscheiden:
1. Individualisme/collectivisme – voor jezelf zorgen/in groep blijven
2. Power distance – mate waarin minder machtige leden de oneerlijke verdeling van
macht accepteren en verwachten
3. Uncertainty avoidance – mate waarin leden comfortabel zijn met betrekking tot
ongestructureerde situaties
4. Mannelijkheid/vrouwelijkheid – verdeling emotionele rollen tussen de seksen.
5. Langetermijn- versus korte termijn oriëntatie – in hoeverre leden onmiddelijke
of vertraagede bevrediging verwachten
- Triandis – kwam met variantie op Hofstedes theorie. Kwam een horizontale en
verticale dimensie bij die interactie vertoont met individualisme en collectivisme
Hoofdstuk 4: Baananalyse en werkprestatie
4.1 Het basismodel van prestatie
- Factoren meenemen om prestaties te voorspellen of meten:
o Benodigde tijd om training af te ronden
o Geproduceerde aantallen
o Totaal aantal absente dagen
o Totale waarde van verkoop
o Aantal promoties binnen een bedrijf
- Bij elke factor kan individu weer beperkt worden door de volgende factoren:
o Benodigde tijd – iemand niet op werkplek
o Productie aantal – technologische problemen
o Totaal absente dagen – wel goede redenen?
o Totale waarde verkoop – kortingen?
o Aantal promoties – omzet bedrijf?
- Model van Campbell – factoren die invloed hebben op de werkprestatie
gedetailleerd in beeld brengen. Controleerbaar of niet?
- Prestatie (perfomance) – alle acties en gedraging die relevant zijn voor en bijdragen
aan het doel van de organisatie
- Effectiviteit – evaluatie van de resultaten van de prestatie en kijkt dus niet enkel naar
het gedrag, maar ook naar wat dit gedrag oplevert
- Productiviteit – ratio van effectiviteit (output) en de energie die het kost om deze
effectiviteit te bereiken (input: prestatie)
, - Hiërarchisch model voor werkprestatie (Cambell), 3 determinanten
1. Declaratieve kennis – kennis over feiten
2. Procedurele kennis – weten hoe iets gedaan moet worden
3. Motivatie – keuzes die een individu maakt
- Bekwaamheid, persoonlijkheid, interesse, opleiding, ervaring en motivatie zijn ook
variabelen die invloed hebben op de prestatie
- Cambell – prestatie is te verdelen in 8 basis prestatie-componenten: componenten
zijn determinanten voor prestatie. 3 van deze prestatie-componenten komen in
iedere baan voor:
o Baan-specifieke bekwaamheid – capaciteit om belangrijkste taken uit te
voeren
o Behouden van persoonlijke discipline – mate waarin een persoon negatief
gedrag vermijdt
o Tonen van inzet – consistentie van de inspanning van een individu, blijven
mensen zich altijd inzetten?
- Overige 5 componenten zijn:
o Niet-baan-specifieke taakbekwaamheid
o Geschreven en mondelinge communicatievaardigheden
o Faciliteren van peer- en teamprestaties
o Leiderschapsvaardigheden
o Managementvaardigheden
- Typische prestatie en maximale prestatie
o Typische prestatie – prestatie waarbij niet de volle 100% door het individu is
gegeven
Combinatie van bekwaamheid en motivatie
o Maximale prestatie – het beste wat een werknemer kan doen
Bepaald door bekwaamheid (ability)
- Criterium-deficiëntie – situatie waarbij het gemeten criterium niet volledig is, en er
factoren invloed hebben op de prestatie die niet gemeten worden
- Criterium-contaminatie – gemeten criterium neemt ook informatie mee die niet
gerelateerd is aan de prestatie die gemeten zou moeten worden
- Ultiem criterium (theoretisch criterium) – meet alles wat onder de prestatie valt
- Eigenlijke criterium – hierboven eigenlijk nooit haalbaar dus deze
- Verschil tussen deze 2 criterium tonen de imperfecties van de metingen