Woordenlijst – methodologie 2
- Causaliteit – covariantie, temporale volgorde en geen alternatieve verklaring
- Empirisme – kennis gebaseerd op feiten
- Scepsis – altijd vraagteken bij theorieën
- Tentativiteit – kennis is tijdelijk
- Epistemologie – set van definities over het generen van kennis
- Logisch positivisme – wetenschap gebaseerd op empirische waarnemingen
- Humanisme – natuurlijke waarnemingen, intuïtie en empathie ipv. logica
- Sociaal constructivisme – neiging om humanistische perspectief te ondersteunen
- Veronderstellingen – algemeen, paradigma’s en domein aannames
- Externe variabele – geef alternatieve verklaring voor waargenomen relatie
- Bemiddelende variabelen – komen tussen 2 variabele in een causale keten
- Matigende variabelen – wijzing of beperking van relatie tussen variabelen
- Hypothetische constructen – variabelen die niet direct worden waargenomen
- Reification – behandelen construct als iets reëels
- Gebruik als verklaring – constructen bestaan niet echt, dus geen verklaring
- Scope – hoeveel gedrag de theorie probeer te verklaren
- Model – beschrijft algemene theorie op een specifiek interessegebied
- Cumulatief – kennis groeit door nieuwe kennis die gebaseerd is op eerdere theorieën
- Begeleiden actie – begrijpen gedag en ontwikkelen nieuwe interventie
- Logistiek consistent – theorie is zinvol en consistent
- Falsifieerbaar – theorie testen of die fout is
- Spaarzaamheid – theorie is zo eenvoudig mogelijk
- Construct validiteit – operationele definities representatief voor construct?
- Interne validiteit – hoe goed ondersteunt onderzoeksopzet de bevindingen?
- Statistische validiteit – zijn analyses goed gebruikt en correct geïnterpreteerd?
- Externe validiteit – zijn resultaten onder ander omstandigheden ook toepasselijk?
- Deductie – afleiden hypothese uit theorie
- Inductie – verifiëren van theorie op basis van waarnemingen
- Persoonlijk gebruik – om sociale wereld te gebruiken
- Professioneel gebruik – toepassen theorie in praktijk en interventies
- Politiek gebruik – om overheidsbeleid te ontwikkelen
- Fundamenteel onderzoek – kennis generen over hoe iets werkt (niet perse nut)
- Toegepast onderzoek – probleem oplossen en samenleving verbeteren
- Evaluatief onderzoek – interventies ontwikkelen en gedrag van mensen veranderen
- Actieonderzoek – integreren fundamenteel, toegepast en evaluatief onderzoek
- Kwantitatieve gegevens – numerieke gegevens
- Kwalitatieve gegevens – niet-numerieke gegevens
- Gemengde methoden – integratie kwalitatief en kwantitatief
- Experimenteel onderzoek – kan causaliteit bepalen
- Experimentele conditie
- Controleconditie
- Casestudy – onderzoek naar 1 fenomeen/persoon over langere periode
- Nomothetische benadering – algemene principes beschrijven die van toepassen zijn
op meerdere mensen
1
, - Idiografische benadering – individuele aspecten van gedrag
- Correlationeel onderzoek – onderzoekt relatie tussen variabelen in een groot aantal
gevallen
- Omgekeerde causaliteit – richtingsgevoeligheid van relatie kan het omgekeerde zijn
van de hypothese
- Wederkerige relatie – circulaire relaties in plaats van alleen maar een oorzaak-gevolg
relatie
- Derde-variabele probleem – controleert niet op alternatieve verklaringen
- Actuariële voorspellingen – bijv een regressievergelijking
- Ontwikkelingsonderzoek – hoe veranderen mensen over gehele levensduur
- Cross-sectioneel – vergelijking van groepen mensen van verschillende leeftijden, op
hetzelfde moment (snel en goedkoop)
- Cohort – groep mensen die in dezelfde periode zijn geboren
- Longitudinaal – volgt dezelfde deelnemers voor langere tijd, met herhaalde metingen
(tijdrovend en duur) (voorkomt cohort effect)
- Uitval (attrition) – afname steekproefgrootte door wegvallen deelnemers
- Testsensibilisatie – scores worden beïnvloed door herhaalde metingen/leereffecten
- Test reactiviteit – test beïnvloedt gedrag
- Verandering technologie – nieuwe meetinstrumenten
- Historie effecten – externe gebeurtenissen kunnen invloed hebben die veranderen
over de tijd heen
- Cohort sequentiële benadering – combineert longitudinaal en cross-sectioneel
- Prospectief onderzoek – relatie tussen een onafhankelijke variabele op tijdstip 1 en
afhankelijke variabele op tijdstip 2
- Uitkomst evaluatieonderzoek – effectiviteit van behandelingen onderzoek (3
meetmomenten: start en einde van behandeling en follow up (lange-termijn
effecten)
- Single case experiment – casestudy in laboratorium
- Veldexperiment – natuurlijke omgeving
- Gemakssteekproeven – selecteren van diegene die het makkelijkst beschikbaar zijn
- Primaire bronnen – origineel onderzoeksrapport
- Secundaire bronnen – samenvattingen van eerdere primaire onderzoeksrapporten,
zoals leerboeken, recensies
- Professionele tijdschriften
- Boeken
- Grijze literatuur – ongepubliceerde literatuur
- Auteurs
- Library research tools – elektrische vorm
- Directe replicatie – studie zo dicht mogelijk bij het origineel na bootsen
(betrouwbaarheid)
- Conceptuele replicatie – zelfde hypothese, maar andere setting, operationele
definities of populatie (externe validiteit)
- Replicatie en uitbreiding – eerdere studie wordt gerepliceerd met toevoeging van
nieuwe onafhankelijke of afhankelijke variabele, reikwijdte wordt vergroot
- Waarheidstest – de perceptie van validiteit en onderzoekskwaliteit
2
- Causaliteit – covariantie, temporale volgorde en geen alternatieve verklaring
- Empirisme – kennis gebaseerd op feiten
- Scepsis – altijd vraagteken bij theorieën
- Tentativiteit – kennis is tijdelijk
- Epistemologie – set van definities over het generen van kennis
- Logisch positivisme – wetenschap gebaseerd op empirische waarnemingen
- Humanisme – natuurlijke waarnemingen, intuïtie en empathie ipv. logica
- Sociaal constructivisme – neiging om humanistische perspectief te ondersteunen
- Veronderstellingen – algemeen, paradigma’s en domein aannames
- Externe variabele – geef alternatieve verklaring voor waargenomen relatie
- Bemiddelende variabelen – komen tussen 2 variabele in een causale keten
- Matigende variabelen – wijzing of beperking van relatie tussen variabelen
- Hypothetische constructen – variabelen die niet direct worden waargenomen
- Reification – behandelen construct als iets reëels
- Gebruik als verklaring – constructen bestaan niet echt, dus geen verklaring
- Scope – hoeveel gedrag de theorie probeer te verklaren
- Model – beschrijft algemene theorie op een specifiek interessegebied
- Cumulatief – kennis groeit door nieuwe kennis die gebaseerd is op eerdere theorieën
- Begeleiden actie – begrijpen gedag en ontwikkelen nieuwe interventie
- Logistiek consistent – theorie is zinvol en consistent
- Falsifieerbaar – theorie testen of die fout is
- Spaarzaamheid – theorie is zo eenvoudig mogelijk
- Construct validiteit – operationele definities representatief voor construct?
- Interne validiteit – hoe goed ondersteunt onderzoeksopzet de bevindingen?
- Statistische validiteit – zijn analyses goed gebruikt en correct geïnterpreteerd?
- Externe validiteit – zijn resultaten onder ander omstandigheden ook toepasselijk?
- Deductie – afleiden hypothese uit theorie
- Inductie – verifiëren van theorie op basis van waarnemingen
- Persoonlijk gebruik – om sociale wereld te gebruiken
- Professioneel gebruik – toepassen theorie in praktijk en interventies
- Politiek gebruik – om overheidsbeleid te ontwikkelen
- Fundamenteel onderzoek – kennis generen over hoe iets werkt (niet perse nut)
- Toegepast onderzoek – probleem oplossen en samenleving verbeteren
- Evaluatief onderzoek – interventies ontwikkelen en gedrag van mensen veranderen
- Actieonderzoek – integreren fundamenteel, toegepast en evaluatief onderzoek
- Kwantitatieve gegevens – numerieke gegevens
- Kwalitatieve gegevens – niet-numerieke gegevens
- Gemengde methoden – integratie kwalitatief en kwantitatief
- Experimenteel onderzoek – kan causaliteit bepalen
- Experimentele conditie
- Controleconditie
- Casestudy – onderzoek naar 1 fenomeen/persoon over langere periode
- Nomothetische benadering – algemene principes beschrijven die van toepassen zijn
op meerdere mensen
1
, - Idiografische benadering – individuele aspecten van gedrag
- Correlationeel onderzoek – onderzoekt relatie tussen variabelen in een groot aantal
gevallen
- Omgekeerde causaliteit – richtingsgevoeligheid van relatie kan het omgekeerde zijn
van de hypothese
- Wederkerige relatie – circulaire relaties in plaats van alleen maar een oorzaak-gevolg
relatie
- Derde-variabele probleem – controleert niet op alternatieve verklaringen
- Actuariële voorspellingen – bijv een regressievergelijking
- Ontwikkelingsonderzoek – hoe veranderen mensen over gehele levensduur
- Cross-sectioneel – vergelijking van groepen mensen van verschillende leeftijden, op
hetzelfde moment (snel en goedkoop)
- Cohort – groep mensen die in dezelfde periode zijn geboren
- Longitudinaal – volgt dezelfde deelnemers voor langere tijd, met herhaalde metingen
(tijdrovend en duur) (voorkomt cohort effect)
- Uitval (attrition) – afname steekproefgrootte door wegvallen deelnemers
- Testsensibilisatie – scores worden beïnvloed door herhaalde metingen/leereffecten
- Test reactiviteit – test beïnvloedt gedrag
- Verandering technologie – nieuwe meetinstrumenten
- Historie effecten – externe gebeurtenissen kunnen invloed hebben die veranderen
over de tijd heen
- Cohort sequentiële benadering – combineert longitudinaal en cross-sectioneel
- Prospectief onderzoek – relatie tussen een onafhankelijke variabele op tijdstip 1 en
afhankelijke variabele op tijdstip 2
- Uitkomst evaluatieonderzoek – effectiviteit van behandelingen onderzoek (3
meetmomenten: start en einde van behandeling en follow up (lange-termijn
effecten)
- Single case experiment – casestudy in laboratorium
- Veldexperiment – natuurlijke omgeving
- Gemakssteekproeven – selecteren van diegene die het makkelijkst beschikbaar zijn
- Primaire bronnen – origineel onderzoeksrapport
- Secundaire bronnen – samenvattingen van eerdere primaire onderzoeksrapporten,
zoals leerboeken, recensies
- Professionele tijdschriften
- Boeken
- Grijze literatuur – ongepubliceerde literatuur
- Auteurs
- Library research tools – elektrische vorm
- Directe replicatie – studie zo dicht mogelijk bij het origineel na bootsen
(betrouwbaarheid)
- Conceptuele replicatie – zelfde hypothese, maar andere setting, operationele
definities of populatie (externe validiteit)
- Replicatie en uitbreiding – eerdere studie wordt gerepliceerd met toevoeging van
nieuwe onafhankelijke of afhankelijke variabele, reikwijdte wordt vergroot
- Waarheidstest – de perceptie van validiteit en onderzoekskwaliteit
2