Scheikunde TW2
H14.1 De cel
Celmembranen bestaan uit een dubbele laag fosfolipiden, met een hydrofiele kop en hydrofobe staarten
(BINAS 67G3 en BINAS 79D). In een dynamische systeem als een cel moeten voortdurend voedingstoffen
de cel in en afvalstoffen de cel uit. In geval van concentratieverschillen van een stof aan weerszijden van
een celmembraan kan er diffusie of passief transport plaatsvinden. Om de concentratie aan de ene kant
hoger te krijgen is er actief transport nodig. Hiervoor is een transporteiwit nodig.
H14.2 Koolhydraten
Monosarcharidemoleculen bestaan uit één ringstructuur, disacharidemoleculen uit twee ringstructuren
en polysacharidemoleculen uit lange ketens van ringstructuren. Monosachariden kunnen via een
etherbinding aan elkaar worden gekoppeld tot di- en polysachariden (BINAS 67F)
De functie van monosachariden in dierlijke cellen is snelle energielevering tijdens grote fysieke inspanning.
Mono- en disachariden die goed oplosbaar in water zijn, kunnen in groente en fruit ook een functie hebben
voor energieopslag. Polysachariden zijn niet goed oplosbaar in water en zijn van belang voor energieopslag
en doen dienst als bouwstof.
H14.3 Vetten
Vetten zijn vast bij kamertemperatuur, oliën zijn vloeibaar bij kamertemperatuur. Dit zijn tri-esters die bij
afbraak worden gehydrolyseerd tot glycerol en vetzuren. Hoe meer dubbele bindingen hoe vloeibaarder de
stof is want de afstand tussen de ketens is groter (cis/trans)
Een vetzuur met een dubbele binding is een enkelvoudig onverzadigd vetzuur. Een vetzuur met meerdere
dubbele bindingen is een meervoudig onverzadigd vetzuur. Vetten waarin onverzadigde vetzuren zijn
verwekt (oliën), hebben een lager smeltpunt dan vetten met verzadigde vetzuren. Vetten hebben 3
functies: bouwstof, energiebron en energieopslag.
H14.4 Eiwitten
Eiwitten (polypeptiden) zijn opgebouwd uit aminozuren die door peptidebindingen aan elkaar zijn
gekoppeld en kunnen worden verbroken via hydrolyse. De primaire structuur van een eiwit is de volgorde
van aminozuren waaruit het eiwit bestaat. De secundaire structuur onderscheidt de α -helix en de β -
plaatstructuur. De uiteindelijke eiwitvouwing is de tertiaire structuur.
Eiwitten zijn gevoelig voor pH en temperatuur. Wanneer deze waarden te hoog of te laag worden zal het
eiwit denatureren en de tertiaire structuur zal worden verstoord. Eiwitten hebben uiteenlopende functies,
kleine eiwitketens worden oligopeptiden genoemd.
H14.5 Enzymen
Enzymen zijn eiwitten die een chemisch proces kunnen katalyseren door de activeringsenergie te verlagen.
De actieve plaats in het enzym is de plaats waar de gekatalyseerde reactie van het substraat plaatsvindt.
Enzymen zijn substraatspecifiek, dit is het sleutel-slotprincipe. Enzymen hebben een pH- en
temperatuuroptimum, afhankelijk van hun functie.
H14.6 DNA en RNA
De genetische code ligt opgeslagen in het DNA. Een codon bestaat uit 3 nucleotiden die coderen voor één
aminozuur. mRNA is een kopie van het gen dat wordt gebruikt om buiten de celkern eiwitten te
synthetiseren. tRNA koppelt een aminozuur aan het bijbehorende codon op het mRNA.
H14.1 De cel
Celmembranen bestaan uit een dubbele laag fosfolipiden, met een hydrofiele kop en hydrofobe staarten
(BINAS 67G3 en BINAS 79D). In een dynamische systeem als een cel moeten voortdurend voedingstoffen
de cel in en afvalstoffen de cel uit. In geval van concentratieverschillen van een stof aan weerszijden van
een celmembraan kan er diffusie of passief transport plaatsvinden. Om de concentratie aan de ene kant
hoger te krijgen is er actief transport nodig. Hiervoor is een transporteiwit nodig.
H14.2 Koolhydraten
Monosarcharidemoleculen bestaan uit één ringstructuur, disacharidemoleculen uit twee ringstructuren
en polysacharidemoleculen uit lange ketens van ringstructuren. Monosachariden kunnen via een
etherbinding aan elkaar worden gekoppeld tot di- en polysachariden (BINAS 67F)
De functie van monosachariden in dierlijke cellen is snelle energielevering tijdens grote fysieke inspanning.
Mono- en disachariden die goed oplosbaar in water zijn, kunnen in groente en fruit ook een functie hebben
voor energieopslag. Polysachariden zijn niet goed oplosbaar in water en zijn van belang voor energieopslag
en doen dienst als bouwstof.
H14.3 Vetten
Vetten zijn vast bij kamertemperatuur, oliën zijn vloeibaar bij kamertemperatuur. Dit zijn tri-esters die bij
afbraak worden gehydrolyseerd tot glycerol en vetzuren. Hoe meer dubbele bindingen hoe vloeibaarder de
stof is want de afstand tussen de ketens is groter (cis/trans)
Een vetzuur met een dubbele binding is een enkelvoudig onverzadigd vetzuur. Een vetzuur met meerdere
dubbele bindingen is een meervoudig onverzadigd vetzuur. Vetten waarin onverzadigde vetzuren zijn
verwekt (oliën), hebben een lager smeltpunt dan vetten met verzadigde vetzuren. Vetten hebben 3
functies: bouwstof, energiebron en energieopslag.
H14.4 Eiwitten
Eiwitten (polypeptiden) zijn opgebouwd uit aminozuren die door peptidebindingen aan elkaar zijn
gekoppeld en kunnen worden verbroken via hydrolyse. De primaire structuur van een eiwit is de volgorde
van aminozuren waaruit het eiwit bestaat. De secundaire structuur onderscheidt de α -helix en de β -
plaatstructuur. De uiteindelijke eiwitvouwing is de tertiaire structuur.
Eiwitten zijn gevoelig voor pH en temperatuur. Wanneer deze waarden te hoog of te laag worden zal het
eiwit denatureren en de tertiaire structuur zal worden verstoord. Eiwitten hebben uiteenlopende functies,
kleine eiwitketens worden oligopeptiden genoemd.
H14.5 Enzymen
Enzymen zijn eiwitten die een chemisch proces kunnen katalyseren door de activeringsenergie te verlagen.
De actieve plaats in het enzym is de plaats waar de gekatalyseerde reactie van het substraat plaatsvindt.
Enzymen zijn substraatspecifiek, dit is het sleutel-slotprincipe. Enzymen hebben een pH- en
temperatuuroptimum, afhankelijk van hun functie.
H14.6 DNA en RNA
De genetische code ligt opgeslagen in het DNA. Een codon bestaat uit 3 nucleotiden die coderen voor één
aminozuur. mRNA is een kopie van het gen dat wordt gebruikt om buiten de celkern eiwitten te
synthetiseren. tRNA koppelt een aminozuur aan het bijbehorende codon op het mRNA.