Leesvaardigheid H1
Paragraaf 1
Er zijn zes leesstrategieën. Welke leesstrategie je gebruikt, is afhankelijk van je leesdoel.
Leesdoel Leesstrategie
Onderwerp vaststellen Oriënterend lezen
Snel bepalen of de tekst bruikbaar of
interessant is
Deelonderwerpen vaststellen Globaal lezen
De tekst helemaal goed begrijpen Intensief lezen
Hoofdzaken van de tekst vinden
Bruikbare informatie vinden Zoekend lezen
De betrouwbaarheid van de informatie en de Kritisch lezen
argumentatie in een tekst beoordelen
De inhoud van een tekst onthouden Studerend lezen
Je hebt ook vijf verschillende schrijfdoelen:
Amuseren De auteur wil zijn lezers Romans, verhalen, gedichten,
vermaken door iets leuks, strips
spannends enz. te vertellen
Informeren De auteur wil kennis Uiteenzetting, handleiding,
overbrengen op zijn lezers gebruiksaanwijzing, instructie,
recept enz.
Opiniëren De auteur geeft lezer de Beschouwing, recensie, essay
gelegenheid zich een mening enz.
te vormen over een
onderwerp
Overtuigen De auteur wil dat de lezer zijn Betoog, ingezonden brief,
mening overnemen column enz.
Activeren De auteur wil de lezers ertoe Reclamefolder, brochure,
aanzetten iets te gaan doen advertentie, poster enz.
Er zijn zeven vaste tekststructuren:
Argumentatiestructuur
inleiding stelling, standpunt (evt. als vraag)
middenstuk argumenten voor en tegen de stelling
slot herhaling stelling (of beantwoording vraag)
Aspectenstructuur
inleiding onderwerp
middenstuk diverse aspecten van het onderwerp
slot samenvatting
Probleem/oplossingstructuur
inleiding Probleem
middenstuk Gevolgen, oorzaken, oplossingen
slot De beste oplossing/samenvatting/aanbeveling
Verklaringsstructuur
inleiding bepaald verschijnsel
middenstuk kenmerken/voorbeelden, verklaring/oorzaak
, slot samenvatting
Verleden/hedenstructuur
inleiding onderwerp
middenstuk situatie vroeger, situatie nu
slot conclusie of situatie in de toekomst
Voor- en nadelen structuur
inleiding vraag of stelling
middenstuk boor- en nadelen
slot afweging, conclusie
Vraag/antwoordstructuur
inleiding vraag
middenstuk antwoorden
slot samenvatting of conclusie
Paragraaf 2
Niet elke tekst kun je benomen als beschouwing, betoog of uiteenzetting. Er bestaan ook
mengvormen van tekstsoorten. Dan heeft de schrijver meer dan één schrijfdoel. Meestal gaat
het om twee tekstsoorten, waarvan er een overheerst. Bijvoorbeeld:
- Een beschouwende tekst met betogende elementen
- Een betogende tekst met beschouwende elementen
- Een betogende tekst met activerende elementen
- Een uiteenzettende tekst met beschouwende elementen
Zo bepaal je met welke mengvorm van tekstsoorten je te maken hebt:
1. Stel eerst het hoofddoel vast. Wat wil de schrijver bij jou als lezer bereiken?
2. Kijk ook naar de hoofdgedachte van de tekst en het tekstsoort. Hier kan een verband
tussen zijn.
3. Stel vast welke middelen de schrijver gebruikt om zijn hoofdgedachte te ondersteunen of
toe te lichten. Zoals argumenten betogen/overtuigen, onderzoeksresultaten of
toelichtingen uiteenzetten/informeren, meningen of nuanceringen beschouwen.
Paragraaf 1
Er zijn zes leesstrategieën. Welke leesstrategie je gebruikt, is afhankelijk van je leesdoel.
Leesdoel Leesstrategie
Onderwerp vaststellen Oriënterend lezen
Snel bepalen of de tekst bruikbaar of
interessant is
Deelonderwerpen vaststellen Globaal lezen
De tekst helemaal goed begrijpen Intensief lezen
Hoofdzaken van de tekst vinden
Bruikbare informatie vinden Zoekend lezen
De betrouwbaarheid van de informatie en de Kritisch lezen
argumentatie in een tekst beoordelen
De inhoud van een tekst onthouden Studerend lezen
Je hebt ook vijf verschillende schrijfdoelen:
Amuseren De auteur wil zijn lezers Romans, verhalen, gedichten,
vermaken door iets leuks, strips
spannends enz. te vertellen
Informeren De auteur wil kennis Uiteenzetting, handleiding,
overbrengen op zijn lezers gebruiksaanwijzing, instructie,
recept enz.
Opiniëren De auteur geeft lezer de Beschouwing, recensie, essay
gelegenheid zich een mening enz.
te vormen over een
onderwerp
Overtuigen De auteur wil dat de lezer zijn Betoog, ingezonden brief,
mening overnemen column enz.
Activeren De auteur wil de lezers ertoe Reclamefolder, brochure,
aanzetten iets te gaan doen advertentie, poster enz.
Er zijn zeven vaste tekststructuren:
Argumentatiestructuur
inleiding stelling, standpunt (evt. als vraag)
middenstuk argumenten voor en tegen de stelling
slot herhaling stelling (of beantwoording vraag)
Aspectenstructuur
inleiding onderwerp
middenstuk diverse aspecten van het onderwerp
slot samenvatting
Probleem/oplossingstructuur
inleiding Probleem
middenstuk Gevolgen, oorzaken, oplossingen
slot De beste oplossing/samenvatting/aanbeveling
Verklaringsstructuur
inleiding bepaald verschijnsel
middenstuk kenmerken/voorbeelden, verklaring/oorzaak
, slot samenvatting
Verleden/hedenstructuur
inleiding onderwerp
middenstuk situatie vroeger, situatie nu
slot conclusie of situatie in de toekomst
Voor- en nadelen structuur
inleiding vraag of stelling
middenstuk boor- en nadelen
slot afweging, conclusie
Vraag/antwoordstructuur
inleiding vraag
middenstuk antwoorden
slot samenvatting of conclusie
Paragraaf 2
Niet elke tekst kun je benomen als beschouwing, betoog of uiteenzetting. Er bestaan ook
mengvormen van tekstsoorten. Dan heeft de schrijver meer dan één schrijfdoel. Meestal gaat
het om twee tekstsoorten, waarvan er een overheerst. Bijvoorbeeld:
- Een beschouwende tekst met betogende elementen
- Een betogende tekst met beschouwende elementen
- Een betogende tekst met activerende elementen
- Een uiteenzettende tekst met beschouwende elementen
Zo bepaal je met welke mengvorm van tekstsoorten je te maken hebt:
1. Stel eerst het hoofddoel vast. Wat wil de schrijver bij jou als lezer bereiken?
2. Kijk ook naar de hoofdgedachte van de tekst en het tekstsoort. Hier kan een verband
tussen zijn.
3. Stel vast welke middelen de schrijver gebruikt om zijn hoofdgedachte te ondersteunen of
toe te lichten. Zoals argumenten betogen/overtuigen, onderzoeksresultaten of
toelichtingen uiteenzetten/informeren, meningen of nuanceringen beschouwen.