Profiel van de Nederlandse overheid
HOOFDSTUK 2: ENKELE BEGRIPPEN
CRITERIUM VAN EEN STAAT
1. (Afgegrensd) grondgebied
2. (Geaccepteerd) bestuursgezag -> soevereiniteit
3. (Te onderscheiden) staatsvolk
TWEE PIJLERS IN DE SAMENLEVING
1. Scheiding tussen kerk en staat
2. Scheiding van de drie machten
VERSCHILLENDE SAMENLEVINGEN
1. Samenleving op basis van gelijkheid
-> Jagers-verzamelaarssamenlevingen
individu redelijk gelijk, leiderschap is macht
2. Samenleving met rangorde
-> Agrarische samenlevingen
nieuwe machtsposities -> bezit is macht
3. Samenleving met gelaagdheid
-> standensamenleving (standenmaatschappij)
de standen: Geestelijkheid, Adel, Boeren en Burgers
TRIAS POLITICA
1. Wetgevende macht (Staten Generaal)
2. Uitvoerende macht (De ministeries)
3. Rechtgevende macht (onafhankelijke rechters)
-> De drie machten vormen de basis van het staatsbestel
-> Franse filosoof Montesquieu (1689 -1755)
-> Horizontale machtenscheiding want gelijkwaardige machten
-> Administratief beroep: een vorm van rechtspraak door uitvoerende
macht zelf -> bestaat niet meer doordat het niet onafhankelijk is. -> Einde
door Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens
A N D E R E M A C H T EN
o De vierde macht (het ambtenarenapparaat of bureaucratie)
-> De minister is wel verantwoordelijk maar rijksambtenaren mogen
beleidsadviezen sterk sturen
-> Ambtenaren voeren wel een tal zaken uit en nemen ze
uitvoeringsbeslissingen.
o De media, lobbyisten en adviesbureaus
- Achter de schermen beïnvloeden zij politieke besluitvoeringen
H U I D I G E S T A A T S I N R I C H T ING
o In 1848: de grondwetswijziging -> het ontstaan van de gedecentraliseerde
eenheidsstaat.
-> werd de ‘vreedzame revolutie genoemd
-> Door Thorbecke (1798-1872)
-> Huis van Thorbecke = Het Nederlands bestel (Rijk, Provincie,
Gemeente)
o Voorbeelden van wijzigingen
- De ministers zijn verantwoordelijk, de koning is onschendbaar.
- Rechtstreekse verkiezingen van Tweede Kamer.
- Indirecte verkiezing van leden van de Eerste Kamer -> alleen de rijksten
konden vroeger stemmen.
- De kamers te ontbinden + Nieuwe verkiezingen.
– Het recht van amendement van de Tweede Kamer (Wetvoorstellen
wijzigen.
- Het recht van enquête en informatie voor beide kamers.
- Jaarlijkse vaststelling van de begroting (mag geamendeerd worden.)
- Andere procedure voor herziening van de Grondwet.
GRONDRECHTEN
o Er zijn twee soorten grondrechten
- Klassieke grondrechten
-> Grondrechten waar de overheid niet mee mag bemoeien
-> De meeste grondrechten uit 1848
- Sociale grondrechten
-> Grondrechten waar de overheid wel mee mag bemoeien
-> Later ontstaan
V E R A N D E R I NG R O L V A N D E O V E R H E I D
o Periode na de grondwet van 1848
1
, Profiel van de Nederlandse overheid
-> Veel bevolkingsgroei, toenemende landbouwproductiviteit,
industrialisatie en ontwikkeling van de wetenschap.
-> Overheid hield zich in de 19e eeuw beperkt bezig met de veiligheid van
de burger. De wetgeving was er wel maar er werd weinig bemoeid met de
inwoners van Nederland.
-> In de 20e eeuw: de rol van de overheid neemt toe.
-> Maatschappelijke problemen worden aangepakt.
-> Kinderwetje van Houten (1874) + De ongevallenwet (1901)
o Periode na de Tweede Wereldoorlog: De overheidsrol neemt nog sterker
toe
-> Codificatie: Het op schrift stellen van een recht
(het maken van een boek)
-> eenmalig opgesteld bij geconstateerde ontwikkelingen.
-> Modificatie (sturing): Het inspelen op ontwikkelingen in de samenleving.
De overheid wil continu inspelen op de ontwikkelingen in de samenleving
door vooruitlopen en ontwikkelingen beïnvloeden. Dit heet ook wel
modificatie.
-> ontstaan van de Verzorgingsstaat.
VERZORGINGSSTAAT
o Samenleving waar de burger van wieg tot graf verzorgd wordt.
o Sociale voorzieningen en de sociale verzekeringen:
-> AOW: Algemene Ouderdomswet
-> Anw: Algemene nabestaandenwet
-> De participatiewet
o Overheid wordt een bepalende factor op de volgende terreinen:
-> welzijnszorg, huisvesting en de gezondheidszorg
o Bij verzorgingsstaat is het financieren geen groot probleem. Wel bij de
Post-verzorgingsstaat
POST–VERZORGINGSSTAAT
o Kenmerken van de Post-verzorgingsstaat:
- toenemende vergrijzing (meer zorgkosten)
- slechtere economische situatie (meer werkloosheid en uitkeringen)
- veranderende maatschappelijke patronen (kleinere huishoudens)
o Hierdoor moeilijker te financieren -> De vraag of de overheid niet te veel
taken op zich heeft genomen. (Meer verantwoordelijkheid voor de burger,
werknemer, werkgever)
-> Kleinere overheid (verhogen van de efficiency en besparen kosten)
-> Participatiesamenleving (verantwoordelijkheid voor je eigen leven)
->verzeker jezelf en zorg voor een ander (mantelzorger)
-> Nadeel: Niet iedere burger is in staat om voor zichzelf op te komen of
zichzelf te verzorgen (kwetsbare groepen)
-> Taken worden steeds meer aan de markt overgelaten (De NS of PTT)
HOOFDSTROMINGEN POLITIEK
Stroming Kernbeginsel
Liberalisme Vrijheidsbeginsel
- Vrijheid voor het individu
- Beperkte omvang overheid
- De markt is een zelfregulerend
mechanisme = Belangrijke rol
Christendemocratie Christelijke beginselen
- Zit tussen de twee andere stromingen in.
- Naastenliefde en solidariteit
- Maatschappelijke organisaties
- Particulier initiatief
Socialisme Gelijkheidsbeginsels
- Rechtvaardige samenleving
- Sociale gelijkheid
- De overheid moet zorgen voor het
nastreven van gelijkheid.
DE OVERHEID
o De overheid bestaat in feite uit meerdere overheden
-> Iedere overheid heeft eigen doelstellingen en belangen
2
, Profiel van de Nederlandse overheid
-> Opgebouwd uit een gecompliceerd geheel van actoren ->
Deelnemer of ‘hij die handelt’ – Gemeente/Provincie/Ambtenaar
-> Taak overheid = Streven om één overheid te zijn
o Voorbeelden van belangentegenstellingen
-> Er kan een belangenstrijd ontstaan
-> Een brandweerwagen uit een andere gemeente die sneller op locatie
kan zijn.
-> Crimineel die in een andere gemeente een nieuw leven start
-> Het besluiten waar het geld naartoe gaat
-> Wie betaalt er voor een meisje die bijzondere opvang nodig heeft?
-> Waar wordt er op bezuinigd?
K E N M E R K E N N E D E R L A N D S E O V E R H E ID
o Trias Politica
- Wetgevend, uitvoerend, rechterlijk
o Gedecentraliseerde eenheidsstaat
= Veel taken en bevoegdheden die aan andere overheidsorganen dan de
centrale overheid worden toebedeeld.
-> Eenheid staat voor de centrale of (rijks)overheid
o De drie bestuurslagen
1. Rijk 2. Provincie 3. Gemeente
o Decentralisatie: de toebedeling van taken en bevoegdheden aan andere
overheidsorganen dan de centrale overheid
o Verticale machtenscheiding: Het verdelen van bevoegdheden tussen de
rijksoverheid, de provincies en de gemeenten
T A K E N V E R D E L ING B E S T U U R S L A G E N
Bestuurslaag Taken
Rijk o Defensie
(Eenheidsstaat) o Toezicht op kernenergie
Provincie o Infrastructuur
(Coördinerende taak) o Natuurontwikkeling
Gemeente o Jeugdzorg
(Uitvoerende taak) -> want dichts bij o Werk en inkomen
de burger o Zorg zieken/ouderen
o Alle beslissingen liggen niet aan het Nederlandse niveau maar juist aan het
Europees niveau -> EU krijgt meer zeggenschap over lidstaten
o Territoriale decentralisatie:
-> Wanneer er een ander overheidsorgaan dan de centrale overheid een
bepaald gebied besturen (Provincie en Gemeente)
o Functionele decentralisatie:
-> Wanneer een ander overheidsorgaan dan de centrale overheid is
ingesteld ter behartiging van een bepaald doel (waterschap)
o Autonomie:
-> De eigen huishouding van gemeente of provincie. Dus eigen exclusieve
taken en bevoegdheden. Hiermee mogen andere overheden zich niet in
mengen (rioleringsstelsel)
o Medebewindstaken:
-> Betrekking op het uitvoeren van rijkstaken door lagere overheden
(bevolkingsregister)
o Discussie over vierde bestuurslaag (tussen provincie en gemeente in)
-> Gemeenten werken al samen met provincies (inzameling afval)
-> Gemeenten nemen zelf altijd een besluit -> intergemeentelijke
samenwerking = verlengd lokaal bestuur
- verloopt vaak moeizaam (inhoudelijk en logistiek ingewikkeld)
DECENTRALISATIE EN DECONCENTRATIE
o Deconcentratie:
-> Het fysiek over een verspreiden van delen van een overheid
-> Geen taken maar filialen van een ministerie (Bijv. belastingdienst)
= het belangrijkste verschil met decentralisatie
o De motieven van Deconcentratie (staan dichterbij):
– De communicatie met Den Haag verbeteren
– Meer grip op regionale zaken (fysiek dichterbij)
– Beter voor een compromis tussen het Rijk en de gemeente
o Vormen van deconcentratie
– Inspecties: Taken zijn meestal wettelijk vastgelegd en hebben
betrekking op toezicht, controle en coördinatie
3
HOOFDSTUK 2: ENKELE BEGRIPPEN
CRITERIUM VAN EEN STAAT
1. (Afgegrensd) grondgebied
2. (Geaccepteerd) bestuursgezag -> soevereiniteit
3. (Te onderscheiden) staatsvolk
TWEE PIJLERS IN DE SAMENLEVING
1. Scheiding tussen kerk en staat
2. Scheiding van de drie machten
VERSCHILLENDE SAMENLEVINGEN
1. Samenleving op basis van gelijkheid
-> Jagers-verzamelaarssamenlevingen
individu redelijk gelijk, leiderschap is macht
2. Samenleving met rangorde
-> Agrarische samenlevingen
nieuwe machtsposities -> bezit is macht
3. Samenleving met gelaagdheid
-> standensamenleving (standenmaatschappij)
de standen: Geestelijkheid, Adel, Boeren en Burgers
TRIAS POLITICA
1. Wetgevende macht (Staten Generaal)
2. Uitvoerende macht (De ministeries)
3. Rechtgevende macht (onafhankelijke rechters)
-> De drie machten vormen de basis van het staatsbestel
-> Franse filosoof Montesquieu (1689 -1755)
-> Horizontale machtenscheiding want gelijkwaardige machten
-> Administratief beroep: een vorm van rechtspraak door uitvoerende
macht zelf -> bestaat niet meer doordat het niet onafhankelijk is. -> Einde
door Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens
A N D E R E M A C H T EN
o De vierde macht (het ambtenarenapparaat of bureaucratie)
-> De minister is wel verantwoordelijk maar rijksambtenaren mogen
beleidsadviezen sterk sturen
-> Ambtenaren voeren wel een tal zaken uit en nemen ze
uitvoeringsbeslissingen.
o De media, lobbyisten en adviesbureaus
- Achter de schermen beïnvloeden zij politieke besluitvoeringen
H U I D I G E S T A A T S I N R I C H T ING
o In 1848: de grondwetswijziging -> het ontstaan van de gedecentraliseerde
eenheidsstaat.
-> werd de ‘vreedzame revolutie genoemd
-> Door Thorbecke (1798-1872)
-> Huis van Thorbecke = Het Nederlands bestel (Rijk, Provincie,
Gemeente)
o Voorbeelden van wijzigingen
- De ministers zijn verantwoordelijk, de koning is onschendbaar.
- Rechtstreekse verkiezingen van Tweede Kamer.
- Indirecte verkiezing van leden van de Eerste Kamer -> alleen de rijksten
konden vroeger stemmen.
- De kamers te ontbinden + Nieuwe verkiezingen.
– Het recht van amendement van de Tweede Kamer (Wetvoorstellen
wijzigen.
- Het recht van enquête en informatie voor beide kamers.
- Jaarlijkse vaststelling van de begroting (mag geamendeerd worden.)
- Andere procedure voor herziening van de Grondwet.
GRONDRECHTEN
o Er zijn twee soorten grondrechten
- Klassieke grondrechten
-> Grondrechten waar de overheid niet mee mag bemoeien
-> De meeste grondrechten uit 1848
- Sociale grondrechten
-> Grondrechten waar de overheid wel mee mag bemoeien
-> Later ontstaan
V E R A N D E R I NG R O L V A N D E O V E R H E I D
o Periode na de grondwet van 1848
1
, Profiel van de Nederlandse overheid
-> Veel bevolkingsgroei, toenemende landbouwproductiviteit,
industrialisatie en ontwikkeling van de wetenschap.
-> Overheid hield zich in de 19e eeuw beperkt bezig met de veiligheid van
de burger. De wetgeving was er wel maar er werd weinig bemoeid met de
inwoners van Nederland.
-> In de 20e eeuw: de rol van de overheid neemt toe.
-> Maatschappelijke problemen worden aangepakt.
-> Kinderwetje van Houten (1874) + De ongevallenwet (1901)
o Periode na de Tweede Wereldoorlog: De overheidsrol neemt nog sterker
toe
-> Codificatie: Het op schrift stellen van een recht
(het maken van een boek)
-> eenmalig opgesteld bij geconstateerde ontwikkelingen.
-> Modificatie (sturing): Het inspelen op ontwikkelingen in de samenleving.
De overheid wil continu inspelen op de ontwikkelingen in de samenleving
door vooruitlopen en ontwikkelingen beïnvloeden. Dit heet ook wel
modificatie.
-> ontstaan van de Verzorgingsstaat.
VERZORGINGSSTAAT
o Samenleving waar de burger van wieg tot graf verzorgd wordt.
o Sociale voorzieningen en de sociale verzekeringen:
-> AOW: Algemene Ouderdomswet
-> Anw: Algemene nabestaandenwet
-> De participatiewet
o Overheid wordt een bepalende factor op de volgende terreinen:
-> welzijnszorg, huisvesting en de gezondheidszorg
o Bij verzorgingsstaat is het financieren geen groot probleem. Wel bij de
Post-verzorgingsstaat
POST–VERZORGINGSSTAAT
o Kenmerken van de Post-verzorgingsstaat:
- toenemende vergrijzing (meer zorgkosten)
- slechtere economische situatie (meer werkloosheid en uitkeringen)
- veranderende maatschappelijke patronen (kleinere huishoudens)
o Hierdoor moeilijker te financieren -> De vraag of de overheid niet te veel
taken op zich heeft genomen. (Meer verantwoordelijkheid voor de burger,
werknemer, werkgever)
-> Kleinere overheid (verhogen van de efficiency en besparen kosten)
-> Participatiesamenleving (verantwoordelijkheid voor je eigen leven)
->verzeker jezelf en zorg voor een ander (mantelzorger)
-> Nadeel: Niet iedere burger is in staat om voor zichzelf op te komen of
zichzelf te verzorgen (kwetsbare groepen)
-> Taken worden steeds meer aan de markt overgelaten (De NS of PTT)
HOOFDSTROMINGEN POLITIEK
Stroming Kernbeginsel
Liberalisme Vrijheidsbeginsel
- Vrijheid voor het individu
- Beperkte omvang overheid
- De markt is een zelfregulerend
mechanisme = Belangrijke rol
Christendemocratie Christelijke beginselen
- Zit tussen de twee andere stromingen in.
- Naastenliefde en solidariteit
- Maatschappelijke organisaties
- Particulier initiatief
Socialisme Gelijkheidsbeginsels
- Rechtvaardige samenleving
- Sociale gelijkheid
- De overheid moet zorgen voor het
nastreven van gelijkheid.
DE OVERHEID
o De overheid bestaat in feite uit meerdere overheden
-> Iedere overheid heeft eigen doelstellingen en belangen
2
, Profiel van de Nederlandse overheid
-> Opgebouwd uit een gecompliceerd geheel van actoren ->
Deelnemer of ‘hij die handelt’ – Gemeente/Provincie/Ambtenaar
-> Taak overheid = Streven om één overheid te zijn
o Voorbeelden van belangentegenstellingen
-> Er kan een belangenstrijd ontstaan
-> Een brandweerwagen uit een andere gemeente die sneller op locatie
kan zijn.
-> Crimineel die in een andere gemeente een nieuw leven start
-> Het besluiten waar het geld naartoe gaat
-> Wie betaalt er voor een meisje die bijzondere opvang nodig heeft?
-> Waar wordt er op bezuinigd?
K E N M E R K E N N E D E R L A N D S E O V E R H E ID
o Trias Politica
- Wetgevend, uitvoerend, rechterlijk
o Gedecentraliseerde eenheidsstaat
= Veel taken en bevoegdheden die aan andere overheidsorganen dan de
centrale overheid worden toebedeeld.
-> Eenheid staat voor de centrale of (rijks)overheid
o De drie bestuurslagen
1. Rijk 2. Provincie 3. Gemeente
o Decentralisatie: de toebedeling van taken en bevoegdheden aan andere
overheidsorganen dan de centrale overheid
o Verticale machtenscheiding: Het verdelen van bevoegdheden tussen de
rijksoverheid, de provincies en de gemeenten
T A K E N V E R D E L ING B E S T U U R S L A G E N
Bestuurslaag Taken
Rijk o Defensie
(Eenheidsstaat) o Toezicht op kernenergie
Provincie o Infrastructuur
(Coördinerende taak) o Natuurontwikkeling
Gemeente o Jeugdzorg
(Uitvoerende taak) -> want dichts bij o Werk en inkomen
de burger o Zorg zieken/ouderen
o Alle beslissingen liggen niet aan het Nederlandse niveau maar juist aan het
Europees niveau -> EU krijgt meer zeggenschap over lidstaten
o Territoriale decentralisatie:
-> Wanneer er een ander overheidsorgaan dan de centrale overheid een
bepaald gebied besturen (Provincie en Gemeente)
o Functionele decentralisatie:
-> Wanneer een ander overheidsorgaan dan de centrale overheid is
ingesteld ter behartiging van een bepaald doel (waterschap)
o Autonomie:
-> De eigen huishouding van gemeente of provincie. Dus eigen exclusieve
taken en bevoegdheden. Hiermee mogen andere overheden zich niet in
mengen (rioleringsstelsel)
o Medebewindstaken:
-> Betrekking op het uitvoeren van rijkstaken door lagere overheden
(bevolkingsregister)
o Discussie over vierde bestuurslaag (tussen provincie en gemeente in)
-> Gemeenten werken al samen met provincies (inzameling afval)
-> Gemeenten nemen zelf altijd een besluit -> intergemeentelijke
samenwerking = verlengd lokaal bestuur
- verloopt vaak moeizaam (inhoudelijk en logistiek ingewikkeld)
DECENTRALISATIE EN DECONCENTRATIE
o Deconcentratie:
-> Het fysiek over een verspreiden van delen van een overheid
-> Geen taken maar filialen van een ministerie (Bijv. belastingdienst)
= het belangrijkste verschil met decentralisatie
o De motieven van Deconcentratie (staan dichterbij):
– De communicatie met Den Haag verbeteren
– Meer grip op regionale zaken (fysiek dichterbij)
– Beter voor een compromis tussen het Rijk en de gemeente
o Vormen van deconcentratie
– Inspecties: Taken zijn meestal wettelijk vastgelegd en hebben
betrekking op toezicht, controle en coördinatie
3