Natuurkunde hoofdstuk 1
paragraaf 1
tekst 1
Om een tas op te tillen moet je een kracht op de tas uitoefenen. Een kracht zie je
niet. Je ziet, hoort of voelt alleen het gevolg ervan. Het symbool van kracht is de
hoofdletter F (van het Engelse force). De eenheid van kracht is newton, met
symbool N. De grootte van de kracht meet je met een veerunster. De kracht die
de tas uitoefent op de haak van de unster teken je als een pijl. Zie figuur 1.1.
Met een pijl kun je de grootte, de richting en het aangrijpingspunt van een kracht
tekenen. Dit zijn de drie eigenschappen van een kracht. De pijl van 3 cm in
figuur 1.1 stelt een kracht van 120 N voor. De krachtenschaal is dus 1 cm ≙ 40
N. De massa van de tas is dan 120 ÷ 9,81 = 12,2 kg.
De tas hangt aan een veerunster. Met een pijl geef je de kracht op de veerunster weer.
De zwaartekracht is de aantrekkingskracht van de aarde op een voorwerp en die bereken je
met de formule:
Fz = m × g
met
Fz de zwaartekracht in newton (N)
m de massa in kilogram (kg)
g 9,81 newton per kilogram (N/kg) (in Nederland)
tekst 2
Zonder flessenopener is het moeilijk de dop van een colaflesje af te krijgen. Je kunt hiervoor
een opener als hefboom gebruiken. Zie figuur 1.2.
en hefboom is een voorwerp met twee uiteinden die vaak verschillend van lengte zijn. Bij
een hefboom veroorzaak je met een kleine spierkracht aan de lange kant een grotere
werkkracht aan de korte kant. Hoe langer het lange uiteinde is, hoe groter de werkkracht.
Bij de opener in figuur 1.2 zie je dit uitgewerkt. Het aangrijpingspunt van de spierkracht zit bij
het uiteinde van het handvat, dus bij het lange uiteinde. De werkkracht grijpt aan waar de
opener de dop van de fles omhoog duwt, dus bij het korte uiteinde.
, In figuur 1.2 zie je nog een ander punt, het draaipunt. Dat is het punt van de opener dat op
zijn plek blijft, terwijl de rest van de opener draait. Op dat punt vervormt de dop. Er werkt dus
een kracht op.
Er zijn veel gereedschappen met een draaipunt. Denk bijvoorbeeld aan een nijptang, een
klauwhamer, een flessenopener, een schaar en een notenkraker. Al deze gereedschappen
en werktuigen werken met een hefboom en hebben:
● een draaipunt;
● een kort uiteinde waar de werkkracht aangrijpt;
● een lang uiteinde waar de spierkracht aangrijpt.
Het draaipunt kan op drie verschillende plekken ten opzichte van de aangrijpingspunten van
de spierkracht en van de werkkracht liggen:
● Het draaipunt zit tussen de werkkracht en de spierkracht in, bijvoorbeeld bij de
nijptang in figuur 1.3. De grootste kracht zit bij het kortste uiteinde. De werkkracht is
dus groter dan de spierkracht.
● Het draaipunt zit aan het uiteinde en de werkkracht zit tussen het draaipunt en de
spierkracht in, bijvoorbeeld bij de notenkraker in figuur 1.4. De werkkracht is hier ook
groter dan de spierkracht.
● Het draaipunt zit aan het uiteinde en de spierkracht zit tussen het draaipunt en de
werkkracht in, bijvoorbeeld bij een pincet in figuur 1.5. De werkkracht is in dit geval
kleiner dan de spierkracht.
tekst 3
De opener van figuur 1.2 pak je zover mogelijk bij het uiteinde vast. Je kunt met je
spierkracht een nog grotere werkkracht uitoefenen door de afstand tussen het draaipunt en
de spierkracht te vergroten. Deze afstand heet de arm van de kracht.
paragraaf 1
tekst 1
Om een tas op te tillen moet je een kracht op de tas uitoefenen. Een kracht zie je
niet. Je ziet, hoort of voelt alleen het gevolg ervan. Het symbool van kracht is de
hoofdletter F (van het Engelse force). De eenheid van kracht is newton, met
symbool N. De grootte van de kracht meet je met een veerunster. De kracht die
de tas uitoefent op de haak van de unster teken je als een pijl. Zie figuur 1.1.
Met een pijl kun je de grootte, de richting en het aangrijpingspunt van een kracht
tekenen. Dit zijn de drie eigenschappen van een kracht. De pijl van 3 cm in
figuur 1.1 stelt een kracht van 120 N voor. De krachtenschaal is dus 1 cm ≙ 40
N. De massa van de tas is dan 120 ÷ 9,81 = 12,2 kg.
De tas hangt aan een veerunster. Met een pijl geef je de kracht op de veerunster weer.
De zwaartekracht is de aantrekkingskracht van de aarde op een voorwerp en die bereken je
met de formule:
Fz = m × g
met
Fz de zwaartekracht in newton (N)
m de massa in kilogram (kg)
g 9,81 newton per kilogram (N/kg) (in Nederland)
tekst 2
Zonder flessenopener is het moeilijk de dop van een colaflesje af te krijgen. Je kunt hiervoor
een opener als hefboom gebruiken. Zie figuur 1.2.
en hefboom is een voorwerp met twee uiteinden die vaak verschillend van lengte zijn. Bij
een hefboom veroorzaak je met een kleine spierkracht aan de lange kant een grotere
werkkracht aan de korte kant. Hoe langer het lange uiteinde is, hoe groter de werkkracht.
Bij de opener in figuur 1.2 zie je dit uitgewerkt. Het aangrijpingspunt van de spierkracht zit bij
het uiteinde van het handvat, dus bij het lange uiteinde. De werkkracht grijpt aan waar de
opener de dop van de fles omhoog duwt, dus bij het korte uiteinde.
, In figuur 1.2 zie je nog een ander punt, het draaipunt. Dat is het punt van de opener dat op
zijn plek blijft, terwijl de rest van de opener draait. Op dat punt vervormt de dop. Er werkt dus
een kracht op.
Er zijn veel gereedschappen met een draaipunt. Denk bijvoorbeeld aan een nijptang, een
klauwhamer, een flessenopener, een schaar en een notenkraker. Al deze gereedschappen
en werktuigen werken met een hefboom en hebben:
● een draaipunt;
● een kort uiteinde waar de werkkracht aangrijpt;
● een lang uiteinde waar de spierkracht aangrijpt.
Het draaipunt kan op drie verschillende plekken ten opzichte van de aangrijpingspunten van
de spierkracht en van de werkkracht liggen:
● Het draaipunt zit tussen de werkkracht en de spierkracht in, bijvoorbeeld bij de
nijptang in figuur 1.3. De grootste kracht zit bij het kortste uiteinde. De werkkracht is
dus groter dan de spierkracht.
● Het draaipunt zit aan het uiteinde en de werkkracht zit tussen het draaipunt en de
spierkracht in, bijvoorbeeld bij de notenkraker in figuur 1.4. De werkkracht is hier ook
groter dan de spierkracht.
● Het draaipunt zit aan het uiteinde en de spierkracht zit tussen het draaipunt en de
werkkracht in, bijvoorbeeld bij een pincet in figuur 1.5. De werkkracht is in dit geval
kleiner dan de spierkracht.
tekst 3
De opener van figuur 1.2 pak je zover mogelijk bij het uiteinde vast. Je kunt met je
spierkracht een nog grotere werkkracht uitoefenen door de afstand tussen het draaipunt en
de spierkracht te vergroten. Deze afstand heet de arm van de kracht.