Samenvatting hoofdstuk 6 Ik denk IQ 116 en op 1 onderdeel 121
H6; denken en intelligentie
De computermetafoor suggereert dat denken niets anders is dan informatieverwerking. Een
andere manier om intelligentie te definiëren zijn de mentale capaciteiten om kennis te
verwerven, redeneren en effectief problemen op te lossen.
Genialiteit is een eigenschap dit in de eerste paragrafen van dit hoofdstuk onderzocht wordt.
Concepten, beelden, schema’s en scripts.
Denken is een cognitief proces dat kan bestaan uit mentale of psychische activiteiten als
redeneren, je iets voorstellen, oordelen, beslissen en het oplossen van problemen.
Conceptvorming is het vermogen om ervaringen onder te brengen in vertrouwde mentale
categorieën. Een concept is een mentale representatie van een categorie van items of
ideeën.
Natuurlijke concepten is een grove mentale representatie van een voorwerp of
gebeurtenis naar onze eigen ervaring. Een prototype is een ideaal beeld van een
conceptuele categorie.
Artificieel concept is een concept gedefinieerd door regels en kenmerken.
Concepten kunnen in niveaus worden opgedeeld van algemeen tot zeer specifiek, dit zijn
conceptuele hiërarchieën.
Schema’s zijn clusters van verwante concepten dat verwachtingen genereert in iemands
leven. Het kan ook helpen om gevolgtrekkingen te maken en conclusies te trekken. Een
script bestaat uit reeksen samenhangende, specifieke gebeurtenissen en handelingen die je
verwacht in een specifieke situatie.
Intuïtie is het vermogen om oordeel te vormen zonder bewuste redenen.
Bij het identificeren van problemen ben je de beste probleemoplosser als je alle
mogelijkheden van een probleem overweegt voordat je er een kiest. Dit wordt divergent
denken genoemd. Algoritmen (vb. wiskunde, uitdenken en toepassen) worden gebruikt bij
problemen waar kennis voor nodig is, terwijl heuristieken (snel, logica, niet zeker correct)
meer zijn voor minder precieze en intuïtieve probleemoplossingen. Over deze twee
belangrijke vaardigheden moeten goede denkers beschikken.
Bruikbare heuristieken: Werk terug, zoek naar analogieën (overeenkomsten), groot
probleem in kleine problemen delen.
De mental set is de neiging om iets te doen op een manier die je eerder ook al hebt gebruikt.
Functionele gefixeerdheid is het onvermogen om een nieuwe toepassing te zien bij een
voorwerp die met iets anders geassocieerd wordt.
(Vb. Niet per se schroevendraaier, muntje kan ook.)
H6; denken en intelligentie
De computermetafoor suggereert dat denken niets anders is dan informatieverwerking. Een
andere manier om intelligentie te definiëren zijn de mentale capaciteiten om kennis te
verwerven, redeneren en effectief problemen op te lossen.
Genialiteit is een eigenschap dit in de eerste paragrafen van dit hoofdstuk onderzocht wordt.
Concepten, beelden, schema’s en scripts.
Denken is een cognitief proces dat kan bestaan uit mentale of psychische activiteiten als
redeneren, je iets voorstellen, oordelen, beslissen en het oplossen van problemen.
Conceptvorming is het vermogen om ervaringen onder te brengen in vertrouwde mentale
categorieën. Een concept is een mentale representatie van een categorie van items of
ideeën.
Natuurlijke concepten is een grove mentale representatie van een voorwerp of
gebeurtenis naar onze eigen ervaring. Een prototype is een ideaal beeld van een
conceptuele categorie.
Artificieel concept is een concept gedefinieerd door regels en kenmerken.
Concepten kunnen in niveaus worden opgedeeld van algemeen tot zeer specifiek, dit zijn
conceptuele hiërarchieën.
Schema’s zijn clusters van verwante concepten dat verwachtingen genereert in iemands
leven. Het kan ook helpen om gevolgtrekkingen te maken en conclusies te trekken. Een
script bestaat uit reeksen samenhangende, specifieke gebeurtenissen en handelingen die je
verwacht in een specifieke situatie.
Intuïtie is het vermogen om oordeel te vormen zonder bewuste redenen.
Bij het identificeren van problemen ben je de beste probleemoplosser als je alle
mogelijkheden van een probleem overweegt voordat je er een kiest. Dit wordt divergent
denken genoemd. Algoritmen (vb. wiskunde, uitdenken en toepassen) worden gebruikt bij
problemen waar kennis voor nodig is, terwijl heuristieken (snel, logica, niet zeker correct)
meer zijn voor minder precieze en intuïtieve probleemoplossingen. Over deze twee
belangrijke vaardigheden moeten goede denkers beschikken.
Bruikbare heuristieken: Werk terug, zoek naar analogieën (overeenkomsten), groot
probleem in kleine problemen delen.
De mental set is de neiging om iets te doen op een manier die je eerder ook al hebt gebruikt.
Functionele gefixeerdheid is het onvermogen om een nieuwe toepassing te zien bij een
voorwerp die met iets anders geassocieerd wordt.
(Vb. Niet per se schroevendraaier, muntje kan ook.)