Hoofdstuk 1: Recht in het algemeen
Begrippenlijst + wetsartikelen + schema’s
Recht = het geheel van geldende rechtsbronnen met taken van voorkoming van conflicten en
bestaande conflicten oplossen. Ordenen en uniformen gedrag van de mensen en toezicht en
handhaving op niet-naleving rechtsregels.
Rechtsregels = regels die voortvloeien uit het recht met als doel om menselijke gedragingen te
ordenen en te uniformeren. Gerechtigheid en doelmatigheid.
Rechtsbronnen = bronnen waar het recht uit voortvloeit: - de wet, - de jurisprudentie, - de gewoonte,
- verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, - gepubliceerde beleidsregels, - algemene
rechtsbeginselen.
Positief recht = de optelsom van alle rechtsregels die op dit moment gelden. Het geheel van
geldende rechtsregels.
Objectief recht = positief recht, law.
Subjectief recht = de bevoegdheid die iemand aan een regel van een objectief recht ontleent, right.
Soevereiniteit = ieder land is in beginsel vrij om zijn wetgeving te regelen en om te bepalen welke
bevoegdheden toekomen aan het bestuur en aan de rechterlijke macht. Ook wel: hoogste macht en
onafhankelijkheid.
Volkenrecht = deel van het internationaal recht en bevat rechtsregels over het verkeer tussen staten
onderling en volkenrechtelijke organisaties.
Verdragen = schriftelijke, bindende regelingen tussen staten onderling of tussen staten en
volkenrechtelijke organisaties.
EVRM = het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele
vrijheden.
Monistisch systeem = monisme = incorporatiesysteem = een systeem waarin het internationale recht
geïncorporeerd wordt in de Nederlandse rechtsorde. De rechtsregels uit het verdrag kunnen deel
uitmaken van het nationale recht zonder dat er eerst omzetting in nationaal recht nodig is.
Dualistisch systeem = dualisme = transformatiesysteem = rechtsregels uit verdragen die niet
doorwerken in de nationale rechtsorde.
Materieel recht = regels die betrekking hebben op rechten en plichten van personen in hun
onderlinge verkeer. Inhoudelijke regels die voorschrijven hoe wij ons moeten gedragen.
Formeel recht = proces recht. Regels over de wijze van procederen bij de rechter. Toezien op
naleving van de materiële regels.
,Staatsrecht = het geheel aan regels dat betrekking heeft op de organisatie van Staat en zijn organen
en op de bevoegdheden van deze organen. Verhoudingen burgers en Staat.
Grondwet = belangrijkste wettelijke fundament in het staatsrecht 1815. Laatste belangrijke wijziging
1983. Omvat de grondrechten.
Grondrechten = de mens is meer dan een onderdeel van de staat. De rechten die burgers de vrijheid
geven om zonder bemoeienis van de overheid te leven.
Organieke wetten = wetten die een uitwerking bevatten van bepalingen die zich in de grondwet
bevinden. Een bepaald onderwerp dient nader uitgewerkt te worden in een wet.
Ongeschreven regels = het gewoonterecht = regels die niet in de wet opgenomen zijn. Ook de
jurisprudentie.
Bestuursrecht = administratief recht = het recht met als onderwerp de juridische bestuursactiviteit
van de overheid. Verhouding overheid en burger.
Awb = Algemene wet bestuursrecht = vermeldt hoe de overheid besluiten moet voorbereiden en
bekendmaken. Regels bestuursorganen.
Bestuursorgaan = een orgaan dat opereert binnen het bestuursrecht. Kan een beschikking
uitvaardigen.
Beschikking = een besluit van een bestuursorgaan dat betrekking heeft op één individu. Bv. Een
vergunning of visum.
Strafrecht = het geheel van regels waarin is geregeld welke gedragingen strafbaar worden gesteld.
Materiële strafrecht = welke feiten zijn strafbaar, wie is de dader en wat zijn de sancties. Vastgelegd
in het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Formele strafrecht = strafprocesrecht = voorschriften omtrent de gang van zaken binnen het
strafproces. Vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering (Sv) bevat bepalingen over de
opsporing en het onderzoek naar een strafbaar feit.
Strafbaar feit = een gedraging die in een wet is bedreigd met straf.
Burgerlijk recht = privaatrecht = regelt de juridische betrekkingen tussen personen onderling.
Vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW).
Materiële privaatrecht = personen- en familierecht en rechtspersonenrecht.
Privaatrechtelijke rechtspersonen = bv. BV of NV.
Publiekrechtelijke rechtspersonen = overheidsinstellingen die zelfstandig deelnemen aan het
rechtsverkeer.
Arbeidsrecht = het geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de arbeidsverhouding van
personen die in loondienst werken. Private sector met werknemers en publieke sector met
ambtenaren.
,Collectief arbeidsrecht = hierin wordt de rechtspositie geregeld van groepen werkgevers en
werknemers in sociaal overleg.
Publiekrecht = inrichting staat, bevoegdheden organen en de uitvoering van aan de overheid
opgedragen taken. Staatsrecht, het bestuursrecht, het strafrecht, en het volkenrecht. Algemeen
belang. Verticale verhouding. Staat vs burgers.
Privaatrecht = onderlinge betrekkingen tussen personen. Belang van de individuele burger. Burger vs
burger. Horizontale verhouding.
Geschreven recht = het recht dat in wetten in verdragen is vastgesteld.
Hoofdstuk 2: Recht en staat
Trias politica = machtenscheiding van Montesquieu. Met wetgevende macht stellen van wetten.
Uitvoerende macht uitvoeren overheidstaken. Rechtsprekende macht rechters met juiste
toepassing van de wet, spreekbuis van de wet en volledig onafhankelijk. Doel is voorkomen dat één
orgaan alle macht naar zich toe trekt.
Checks and balances = de verschillende organen houden toezicht op elkaar en tussen de
staatsorganen wordt er in een evenwicht met elkaar samengewerkt. Toezicht en samenwerking.
, Legistisch ideaal = al het recht moet in de wet worden vastgelegd.
Codificatiegedachte = al het recht moet op een systematische wijze in wetboeken worden
opgenomen.
De Staten-Generaal = de Eerste en Tweede Kamer gezamenlijk, oftewel het parlement.
Provinciale Staten = zij kiezen de leden van de Eerste Kamer.
Algemeen verbindende voorschriften = wet in materiële zin =
Legisme (Montesquieu) = het gehele positieve recht wordt uitsluitend door de wetgever geschapen.
De wet is de enige rechtsbron. Recht en wet zijn identiek.
Algemene maatregelen van bestuur = AMvB’s = zelfstandig algemeen verbindende voorschriften van
de regering.
Regering = ministers en koningen (art. 42 lid 1 Gw) = de Kroon
Ministerraad = minister met voorzitter de minister president
Koninklijk besluit = KB = een besluit genomen door de regering. Kan ook een AMvB zijn.
Wet RO = Wet op de Rechterlijke Organisatie = samenstelling en werkwijze rechterlijke macht.
Rechterlijke macht heeft als hoofdtaak het beslechten van geschillen.
Decentralisatie = de spreiding van macht over verschillende niveaus, zoals over het Rijk en de
gemeente. Decentralisatie voorkomt dat in ons land alle wetgeving uitsluitend afkomstig is van de
regering en de Staten-Generaal tezamen.
Territoriale decentralisatie = spreiden van machten over bepaalde gebieden (lagere
overheden) zoals provincies Provinciale Staten met provinciale verordeningen. Bestuur is
College van Gedeputeerden o.l.v. Commissaris van de koning. Of gemeenten
Gemeenteraden met gemeentelijke verordeningen. Bestuur is College van Burgemeesters en
Wethouders.
Functionele decentralisatie = publiekrechtelijke lichamen hebben wetgevende en
bestuurlijke bevoegdheden met het oog op specifieke doelstellingen. Waterschappen
waterhuishouding.
Autonomie = de gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om zelfstandig te besturen. Er is
sprake van ‘overlaten’ en van voorafgaande inmenging door de centrale overheid is geen sprake (art.
124 lid 1 Gw)
Medebewind = de gemeenten en provincies moeten meewerken met de centrale overheid. Binnen
dit kader is er geen plaats voor eigen beleid (art. 124 lid 2 Gw)
Constitutionele monarchie = positie Koning in de Grondwet verankerd en begrensd.
Begrippenlijst + wetsartikelen + schema’s
Recht = het geheel van geldende rechtsbronnen met taken van voorkoming van conflicten en
bestaande conflicten oplossen. Ordenen en uniformen gedrag van de mensen en toezicht en
handhaving op niet-naleving rechtsregels.
Rechtsregels = regels die voortvloeien uit het recht met als doel om menselijke gedragingen te
ordenen en te uniformeren. Gerechtigheid en doelmatigheid.
Rechtsbronnen = bronnen waar het recht uit voortvloeit: - de wet, - de jurisprudentie, - de gewoonte,
- verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, - gepubliceerde beleidsregels, - algemene
rechtsbeginselen.
Positief recht = de optelsom van alle rechtsregels die op dit moment gelden. Het geheel van
geldende rechtsregels.
Objectief recht = positief recht, law.
Subjectief recht = de bevoegdheid die iemand aan een regel van een objectief recht ontleent, right.
Soevereiniteit = ieder land is in beginsel vrij om zijn wetgeving te regelen en om te bepalen welke
bevoegdheden toekomen aan het bestuur en aan de rechterlijke macht. Ook wel: hoogste macht en
onafhankelijkheid.
Volkenrecht = deel van het internationaal recht en bevat rechtsregels over het verkeer tussen staten
onderling en volkenrechtelijke organisaties.
Verdragen = schriftelijke, bindende regelingen tussen staten onderling of tussen staten en
volkenrechtelijke organisaties.
EVRM = het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele
vrijheden.
Monistisch systeem = monisme = incorporatiesysteem = een systeem waarin het internationale recht
geïncorporeerd wordt in de Nederlandse rechtsorde. De rechtsregels uit het verdrag kunnen deel
uitmaken van het nationale recht zonder dat er eerst omzetting in nationaal recht nodig is.
Dualistisch systeem = dualisme = transformatiesysteem = rechtsregels uit verdragen die niet
doorwerken in de nationale rechtsorde.
Materieel recht = regels die betrekking hebben op rechten en plichten van personen in hun
onderlinge verkeer. Inhoudelijke regels die voorschrijven hoe wij ons moeten gedragen.
Formeel recht = proces recht. Regels over de wijze van procederen bij de rechter. Toezien op
naleving van de materiële regels.
,Staatsrecht = het geheel aan regels dat betrekking heeft op de organisatie van Staat en zijn organen
en op de bevoegdheden van deze organen. Verhoudingen burgers en Staat.
Grondwet = belangrijkste wettelijke fundament in het staatsrecht 1815. Laatste belangrijke wijziging
1983. Omvat de grondrechten.
Grondrechten = de mens is meer dan een onderdeel van de staat. De rechten die burgers de vrijheid
geven om zonder bemoeienis van de overheid te leven.
Organieke wetten = wetten die een uitwerking bevatten van bepalingen die zich in de grondwet
bevinden. Een bepaald onderwerp dient nader uitgewerkt te worden in een wet.
Ongeschreven regels = het gewoonterecht = regels die niet in de wet opgenomen zijn. Ook de
jurisprudentie.
Bestuursrecht = administratief recht = het recht met als onderwerp de juridische bestuursactiviteit
van de overheid. Verhouding overheid en burger.
Awb = Algemene wet bestuursrecht = vermeldt hoe de overheid besluiten moet voorbereiden en
bekendmaken. Regels bestuursorganen.
Bestuursorgaan = een orgaan dat opereert binnen het bestuursrecht. Kan een beschikking
uitvaardigen.
Beschikking = een besluit van een bestuursorgaan dat betrekking heeft op één individu. Bv. Een
vergunning of visum.
Strafrecht = het geheel van regels waarin is geregeld welke gedragingen strafbaar worden gesteld.
Materiële strafrecht = welke feiten zijn strafbaar, wie is de dader en wat zijn de sancties. Vastgelegd
in het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Formele strafrecht = strafprocesrecht = voorschriften omtrent de gang van zaken binnen het
strafproces. Vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering (Sv) bevat bepalingen over de
opsporing en het onderzoek naar een strafbaar feit.
Strafbaar feit = een gedraging die in een wet is bedreigd met straf.
Burgerlijk recht = privaatrecht = regelt de juridische betrekkingen tussen personen onderling.
Vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW).
Materiële privaatrecht = personen- en familierecht en rechtspersonenrecht.
Privaatrechtelijke rechtspersonen = bv. BV of NV.
Publiekrechtelijke rechtspersonen = overheidsinstellingen die zelfstandig deelnemen aan het
rechtsverkeer.
Arbeidsrecht = het geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de arbeidsverhouding van
personen die in loondienst werken. Private sector met werknemers en publieke sector met
ambtenaren.
,Collectief arbeidsrecht = hierin wordt de rechtspositie geregeld van groepen werkgevers en
werknemers in sociaal overleg.
Publiekrecht = inrichting staat, bevoegdheden organen en de uitvoering van aan de overheid
opgedragen taken. Staatsrecht, het bestuursrecht, het strafrecht, en het volkenrecht. Algemeen
belang. Verticale verhouding. Staat vs burgers.
Privaatrecht = onderlinge betrekkingen tussen personen. Belang van de individuele burger. Burger vs
burger. Horizontale verhouding.
Geschreven recht = het recht dat in wetten in verdragen is vastgesteld.
Hoofdstuk 2: Recht en staat
Trias politica = machtenscheiding van Montesquieu. Met wetgevende macht stellen van wetten.
Uitvoerende macht uitvoeren overheidstaken. Rechtsprekende macht rechters met juiste
toepassing van de wet, spreekbuis van de wet en volledig onafhankelijk. Doel is voorkomen dat één
orgaan alle macht naar zich toe trekt.
Checks and balances = de verschillende organen houden toezicht op elkaar en tussen de
staatsorganen wordt er in een evenwicht met elkaar samengewerkt. Toezicht en samenwerking.
, Legistisch ideaal = al het recht moet in de wet worden vastgelegd.
Codificatiegedachte = al het recht moet op een systematische wijze in wetboeken worden
opgenomen.
De Staten-Generaal = de Eerste en Tweede Kamer gezamenlijk, oftewel het parlement.
Provinciale Staten = zij kiezen de leden van de Eerste Kamer.
Algemeen verbindende voorschriften = wet in materiële zin =
Legisme (Montesquieu) = het gehele positieve recht wordt uitsluitend door de wetgever geschapen.
De wet is de enige rechtsbron. Recht en wet zijn identiek.
Algemene maatregelen van bestuur = AMvB’s = zelfstandig algemeen verbindende voorschriften van
de regering.
Regering = ministers en koningen (art. 42 lid 1 Gw) = de Kroon
Ministerraad = minister met voorzitter de minister president
Koninklijk besluit = KB = een besluit genomen door de regering. Kan ook een AMvB zijn.
Wet RO = Wet op de Rechterlijke Organisatie = samenstelling en werkwijze rechterlijke macht.
Rechterlijke macht heeft als hoofdtaak het beslechten van geschillen.
Decentralisatie = de spreiding van macht over verschillende niveaus, zoals over het Rijk en de
gemeente. Decentralisatie voorkomt dat in ons land alle wetgeving uitsluitend afkomstig is van de
regering en de Staten-Generaal tezamen.
Territoriale decentralisatie = spreiden van machten over bepaalde gebieden (lagere
overheden) zoals provincies Provinciale Staten met provinciale verordeningen. Bestuur is
College van Gedeputeerden o.l.v. Commissaris van de koning. Of gemeenten
Gemeenteraden met gemeentelijke verordeningen. Bestuur is College van Burgemeesters en
Wethouders.
Functionele decentralisatie = publiekrechtelijke lichamen hebben wetgevende en
bestuurlijke bevoegdheden met het oog op specifieke doelstellingen. Waterschappen
waterhuishouding.
Autonomie = de gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om zelfstandig te besturen. Er is
sprake van ‘overlaten’ en van voorafgaande inmenging door de centrale overheid is geen sprake (art.
124 lid 1 Gw)
Medebewind = de gemeenten en provincies moeten meewerken met de centrale overheid. Binnen
dit kader is er geen plaats voor eigen beleid (art. 124 lid 2 Gw)
Constitutionele monarchie = positie Koning in de Grondwet verankerd en begrensd.