Reflexen:
• Eenvoudigste voorbeelden van oorzaak-gevolg → gedrag
Stimuli:
• Deblokkerende prikkel (releasing stimulus)
o Rechtstreeks tot het veroorzaken van
het gedrag
• Oriënterende prikkels (priming stimulus)
o Zijn bereiden het organisme voor om op een latere stimulus
adequaat te reageren
o Met een hormoon
Voorbeeld stimuli:
• Toenemende daglengte → testosteron
o Oriënterende prikkel
• Aanwezigheid van een vrouwtje → baltsgedrag
o Deblokkerende prikkel
Functie stimulus/prikkels:
1. Gedrag opwekken (motorisch patroon)
2. Gedrag sturen (voedsel en seksuele partner)
3. Algemene waakzaamheid verhogen
a. Formatio reticularis (de netvormige massa)
Formatio reticularis:
• Zone in de hersenen die de drempelwaarde verlaagd
• Lokt niet direct een bepaald gedrag uit, maar kan bijdragen tot de
verhoging of verlaging van de drempelwaarden en zorgt voor
verschillende gedragspatronen.
• Netwerk zenuwcellen, kans op gedrag toenemen
• Alert zijn in het algemeen sneller reageren
Zintuigelijke mogelijkheden:
• Prikkel kan niet effect hebben als een dier niet kan waarnemen
o De informatie vanuit het externe milieu worden opgevangen
doormiddel van receptoren
o Bevinden zich in groepen in de zintuigen
Testen van zintuigelijk vermogen:
• Onderscheidingsvermogen
o Fysiologische metingen
▪ Elektromyografie
▪ EEG
, o Gedragsproeven
▪ Conditionering
• De gevoeligheid van de zintuigen ontdekken
o Door bv. geluidsfrequentie omlaag of omhoog te doen
Gedragsproeven:
• Erkennen van geur door honden
o Drugs, ziekte, mensen
• Opsporen van kanker doormiddel van urine
o Negatieve samples en een positieve sample
o Door de geur van de positieve sample gaat de hond zitten en
krijgen ze een beloning + gebruik van een clicker
▪ Beloning kan eten of speelgoed zijn
o Beloning bij het zitten voor het juiste sample
Perifere en centrale filtering:
• Selectie van relevante prikkels → te veel om te reageren als je niet filtert
o Perifere filtering → via de zintuigen (de dingen die niet belangrijk
zijn worden eruit gefilterd)
o Centrale filtering → ter hoogte van het centraal
zenuwstelsel
Sleutelprikkel:
• Een specifieke stimulus waarop dieren reageren met een
welbepaald gedrag
o Voorbeeld bankivahoen → het bruine vlekje op de
kop van de bankiva kuikens zorgen voor het moederlijk gedrag.
Wanneer de vlek niet op de kop zit, is er ook geen moederlijk
gedrag
• De prikkel past bij de reactie zoals een sleutel in een slot
Gestaltkarakter:
• Gestalt is de totaliteit van de waargenomen structuren
• De prikkels moeten in een bepaalde schikking voorkomen en een vaste
verhouding is noodzakelijk
• Geeft meer informatie dan de som van de prikkels waaruit deze is
opgebouwd
o Voorbeeld bankivahoen → voor het moederlijk gedrag moet de
bruine vlek echt op de kop zitten en niet op de buik
Drempelwaarde:
• De minimale waarde die een sleutelprikkel moet hebben om een
reactie uit te lokken
• De waarde blijft echter niet constant maar hangt af van de stemming
waarin het dier zich bevindt en kan ook verschillen tussen individuen
• Voorbeeld bankivahoen → laagste waarde waardoor het moederlijk
gedrag uitlokken. Is dit bv. 1 bruine veer op de kop of zijn het er 5?