Consumptie, consument -> genieten
Investeren, bedrijf -> productieproces
Middelen zijn altijd beperkter dan de behoeften, spanning hier tussen -> schaarste
- Absolute schaarste (dagelijks spraakgebruik) -> voedsel bij hongersnood
- Relatieve schaarste (economie) -> offer of inspanning
- Vrije goederen -> geen schaarse middelen opgeofferd, zoals lucht
Opofferingskosten: De waarde van datgene wat we opofferen om iets te verkrijgen.
- Je kiest het alternatief met de hoogste waarde.
- Opofferingskosten bestaan uit de waarde van het op een na beste alternatief(ven).
Budgetvergelijking: B = p1x1 + p2x2
B= budget
p1= prijs product 1
x1= aantal product 1
p2= prijs product 2
x2= aantal product 2
Deze vergelijking geeft alle combinaties van twee producten weer die je maximaal met een gegeven
budget en gegeven prijzen van de producten kunt kopen.
Nominale waarde -> beschikbare geld (budget) in euro’s.
Reële waarde -> wat je allemaal van je geld (budget) kunt kopen.
Gevangenendilemma kenmerken:
- Spelers: personen, bedrijven of clubs; zijn rationeel ingesteld.
- Informatie: symmetrisch; simultaan keuze maken.
- Pay-off: verwachte opbrengst van de keuzes; weergeven in pay-off matrix.
- Dominante strategie: levert het meeste op ongeacht de keuze van de ander.
- Nash-evenwicht: De oplossing van beide keuzes gezamenlijk, suboptimaal.
Of de spelers zich coöperatief opstellen hangt af van:
- Vertrouwen en sociale cohesie?
- Herhaling?
- Afspraak? Pay-off Speler 1
- Meeliftersgedrag? matrix
Zwijgen Bekennen
Zwijgen Bekennen
Speler 10;10 1;16
Nash-evenwicht
2
16;1 3;3
, Samenvatting Economie H2
Transactiekosten -> geld, tijd, moeite (bij ruiltransactie worden eigendommen uitgewisseld)
Risicoaversie -> mensen gaan zich verzekeren
Averechtse selectie:
Oorzaak: asymmetrische informatie -> oplossing is vertrouwen winnen door garantie verstrekken en
goede reputatie opbouwen.
Gevolg asymmetrische informatie:
Goede risico’s willen zo weinig mogelijk betalen, want ze claimen weinig schade-> ze gaan weg uit de
verzekering.
Slechte risico’s blijven over en zij claimen veel schade -> meer uitgaven dan inkomsten.
Waardoor de verzekeringsmaatschappij de premie laat stijgen.
Met als gevolg dat de nog meer goede risico’s weg gaan en de premie nog meer gaat stijgen ->
uiteindelijk gaat de verzekeringsmaatschappij failliet.
Oplossingen averechtse selectie:
- Verzekering verplichten
- Premie differentiatie -> goede risico’s lagere premie
- Eigen risico -> lagere premie -> goede risico’s blijven
- Bonus-malussysteem -> beloning voor aantal schadevrije jaren
Moral Hazard -> hogere schade claims -> premie stijging -> goede risico’s weg
- Oplossing: Eigen risico, want door een deel zelf te moeten betalen bij schade zullen mensen
voorzichtiger zijn.
Oplichting valt niet onder Moral Hazard
Principaal en Agent:
Principaal (opdrachtgever)
Agent (oprachtnemer)
Principaal in het nadeel door:
- Belangentegenstelling
- Asymmetrische informatie
Op te lossen door controle of volledig contract, maar kost tijd (transactiekosten)
Soorten Verzekeringen:
Verschillen tussen particuliere en collectieve/sociale verzekeringen:
- Verplichte solidariteit (c/s)
- Acceptatie plicht (c/s)
- Moral Hazard (p)
Premie = kans op schade × schade bedrag
Twee gedeeltes:
- Nominale premie; de verzekerde betaalt een gedeelte van de premie rechtstreeks aan de
verzekeraar.
- Inkomensafhankelijke bijdrage; wordt door de belastingdienst geheven over het inkomen. Een deel
naar vereveningsfonds -> verzekeraars met veel risicovolle verzekerden
-> ziektekosten betaald van kinderen (onder 18)
Bij werknemers wordt de inkomensafhankelijke bijdrage betaald door hun werkgevers.