Hoofdstuk 7: het analyseren van een problematische opvoedingssituatie
7.1 Typering van een problematische ontwikkeling: kenmerken en classificatie.
Bepaling van probleemgedrag is subjectief en niet eenvoudig om te stellen. Wel van
belang te stellen voor een goede indicatie van hulp te stellen. Dit wordt gedaan door
objectivering.
Nadelen statistische benadering (vergelijken met bepaalde norm):
Houdt geen rekening met tijd, cultuur (subcultuur) en opvoedingssituatie waarin het
kind opgroeit.
Verschil in ontwikkelingssnelheid van een kind.
Onderscheid tussen ernstig of waarschijnlijk voorbijgaand kan worden ingeschat aan
de hand van 9 criteria:
1. Leeftijdsadequaat
2. Duur van het probleemgedrag
3. Omstandigheden
4. Sociaal-culturele setting
5. Hoeveelheid en frequentie van de problemen
6. Type problemen en de mate van voorkomen van die problemen in de populatie.
7. Intensiteit van de problemen
8. Verandering van het gedrag
9. Situatiegebondenheid
geven wel inzicht in de ernst van de problemen maar niet in de classificatie.
Soorten benaderingen van classificatie gedragsproblemen
1. De categorale benadering
2. De dimensionale benadering
Categorale benadering (DSM):
Werkt met observeerbare gedragskenmerken. Deze bepalen of een bepaald
probleem wel of niet tot een bepaalde categorie of stoornis behoort.
Per stoornis zijn criteria vastgesteld.
A-theoretisch (wordt niet verklaard vanuit een theorie, maar alle disciplines kunnen
zich wel vinden in de kenmerken).
Systeem is empirisch en biologisch van aard.
Ontstaan van een stoornis wordt gekoppeld aan (neuro)biologische processen
Voordelen:
Wordt wereldwijd gebruikt (ook bij wetenschappelijk onderzoek).
Nadelen:
Afgebakende categorieën of stoornissen (je hebt wel of niet een stoornis)
Onderclassificeren (geen classificatie te weinig criterium, ervaart wel problemen).
Overclassificeren (label opplakken)
Onderscheid maken bij kinderen tussen verschillende stoornissen is moeilijk:
Vaak sprake van comorbiditeit.
Cultuurverschillen (of een gedragskenmerk als afwijkend wordt benoemd).
Niet alle stoornissen zijn universeel geldend.
Verschil tussen DSM-5 en DSM-IV-TR
DSM-5 richt zich meer op neurologische ankerpunten van een stoornis.
Er wordt uitgegaan van een glijdende schaal tussen normaal of abnormaal.
Handboek DSM-5 is verdeeld in 3 secties:
1. Sectie I geeft een introductie met daarin uitleg over het gebruik van het boek.
, 2. Sectie II de classificaties zijn onderverdeeld in 20 categorieën met daarbinnen de
verschillende stoornissen.
Er wordt gekeken naar syntoon en dystoon; comorbiditeit en suïcidaliteit; invloed van
leeftijd, geslacht en cultuur; de ernst van de problemen.
3. Sectie III: meetinstrumenten/vragenlijsten die gebruikt worden om de toestand van de
cliënt in te schatten.
De dimensionale benadering:
Glijdende schaal tussen 'gezond' en 'ziek'.
De mate waarin iemand een stoornis heeft wordt aangegeven op grond van
empirische gegevens, met behulp van vragenlijsten.
Gegevens worden geanalyseerd d.m.v. een statische bewerking. Uit al deze data
worden kenmerken factoren gefilterd. Deze worden in clusters geplaatst.
Aan de hand van de informatie kan ervoor gekozen worden om verder diagnostisch
onderzoek te doen.
7.2 Theoretisch kader
Hoe een kind zich ontwikkelt, is afhankelijk van:
Kenmerken van het kind zelf;
Hoe de opvoeder in relatie staat met het kind;
Hoe de opvoeder een klimaat schept waarin de persoonlijkheidsgroei wordt
gestimuleerd;
Gezins- en omgevingskenmerken.
Er zijn verschillende theoretische kaders die van belang zijn om de problematische
opvoedingssituaties te analyseren, beoordelen en te interveniëren.
7.2.1 Ontwikkelingsopgaven en opvoedingsopgaven.
Een kader dat de professional helpt om te onderzoeken waar de ontwikkeling afwijkt van een
normale ontwikkeling, welke ontwikkelingsgebieden problematisch zijn en wat de relatie met
de opvoeding zou kunnen zijn.
Ieder kind moet in zijn ontwikkeling een aantal ontwikkelingsopgaven gaan beheersen,
omdat deze van belang zijn voor de latere ontwikkelingsloop. Het niet goed beheersen van
een ontwikkelingsopgave kan leiden tot opvoedingsproblemen maar dat hoeft niet.
Opvoedingsopgaven staan complementair tegenover de ontwikkelingsopgaven.
7.2.2 Het sociaal-ecologisch model en transactioneel model
Twee modellen die ervan uitgaan dat kind, gezin en omgevingsfactoren van invloed zijn op
de ontwikkeling van het kind en dat hierbij sprake is van een wisselwerking.
Bronfenbrenner het sociaal-ecologisch model
De omgeving is altijd van invloed op de ontwikkeling van een kind.
5 niveaus die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling.
1. Microsysteem
2. Mesosysteem
3. Exosysteem
4. Macrosysteem
5. Chronosysteem
Sameroff en Chandler transactioneel model
Gaat ervan uit dat ouders en kinderen, op basis van eerdere ervaringen in de
interactie, bepaalde verwachtingen opbouwen. Deze verwachtingen kunnen de
toekomstige wisselwerking beïnvloeden en veranderen.